zaterdag 27 augustus 2011

Pelgrimeren van Cauderoue naar Fourcès

Van Sint-Jacobiparochie naar Santiago de Compostela

Sentier vers Saint-Jacques-de-Compostelle; via Vézelay
Van Cauderoue naar Fourcès
Vrijdag 12 augustus 2011 – 24 km.
Dag 106: 2238 – 2262 km.

Om 7.30 uur brengen Durkje en ik de auto vanaf de camping Moulin Saint-Laurent naar Fourcès. Op de fiets gaan we vervolgens in ruim een uur terug vanuit Fourcès naar Cauderoue. Even na 9.30 uur vertrekken we vanuit het centrum van Cauderoue. Aan de rand van de bebouwde kom nemen we een asfaltweg in zuidwestelijke richting.
Via een grote platte steen steken we een beekje over en dan lopen we oostelijk van de rivier de Gélise naar Sainte-Catherine, waar we via de brug de Gélise oversteken. Naast de brug staat een oude watermolen bij de samenloop van de rivieren de Osse en de Gélise.

Voorbij Sainte-Catherine gaan we een eind het bos in. In dit bos passeren we de bosweg naar Monbel, dat in een open plek in het bos ligt. Ter hoogte van Le Rey komen we het bos uit, maar dan maken we direct daarna een u-bocht in zuidoostelijke richting om weer een stuk door het bos te lopen. We lopen hier over een zandpad door het bos en komen al spoedig in een open veld. Daar gaan we langs de boerderij Fustié. Nadat we een steentjesweg hebben gevolgd en de beek Criéré zijn overgestoken, komen we op een zandpad dat parallel aan een spoorlijn loopt.

Het is een bijzondere ervaring om in een gebied met mooie landbouwgrond en rotsige ondergrond ineens over een breed zandpad te lopen. Voor je gevoel past dat zand hier helemaal niet in het landschap. Toch ‘ploegen’ we door het rulle zand, alsof we over het losse zand van een strand lopen. Bijzonder is dat we hier ten zuiden van Barbaste langs de Gélise door de laatste duinenrij van het bosmassief van Les Landes lopen.

Links ligt de spoorlijn en rechts van ons liggen de duinen. Het is een bekend gezicht, zoals we dat in Nederland ook gewend zijn.
Ook de vegetatie van de duinen met diverse grassen, varens en bloeiende heide maken het ons welbekende beeld van duinen compleet.

In het bos zien we een bestelwagen staan. Een oudere man zoekt hier brandhout in het bos en even later zien we hem achter ons langs rijden met een rij lange bamboestammen boven op de auto. Een andere man passeert ons op het zandpad met een forse fourwheeldrive-auto. Zulke wagens heb je hier wel nodig over de zandpaden in dit duinengebied.

Even later horen we een trein aankomen. Het blijkt een toeristentreintje te zijn. We horen de gids in de trein zijn uitleg vertellen. Omdat er teveel bomen en struiken tussen ons en het spoor zijn, kunnen we het treintje alleen tussen de begroeiing door zien. Verderop kruist ons pad het spoor en lopen we aan de andere zijde van de spoorlijn over een asfaltweg. Ineens horen we de hoorn van de trein weer in onze richting komen. We lopen snel door naar een spoorwegovergang enkele honderden meters verder. De trein staat vóór de overweg te wachten. Een jongen komt naar buiten, sluit aan één zijde de doorgang voor het doorgaande verkeer af en gaat als verkeersregelaar aan de andere zijde op de weg staan. Op het moment dat we bij de overweg zijn, komt de trein weer in beweging. Het is een mooie gelegenheid om dit toeristentreintje te fotograferen. De gids in de trein groet ons via de geluidsinstallatie en wenst ons ‘bonne courage’ voor onze wandeltocht.

Vrij snel daarna arriveren we in Courbian. Daar steken we de rivier de Gélise weer over. Aan de overzijde dalen we af naar de oever van de rivier en dan gaan we bij de voet van de spoorbrug verder over een onverhard bospad, parallel aan de hooggelegen spoorlijn.
Na het bospad volgen voorbij een jagerspost enkele mooie veldpaden. Deze paden voeren ons naar de hoger gelegen velden, vanwaar we een mooi uitzicht rondom krijgen. We komen uit bij het gehucht La Gaité, op de plaats waar ook de stad Mézin begint.

We lopen door Mézin naar het Place Armand-Fallières. Daar genieten we op één van terrassen van onze dagelijkse koffiepauze.
Na de koffiepauze bezichtigen we de op het plein staande Sint-Johannes de Doper-kerk. In de kerk vinden we het uit 1770 daterende pelgrimsbeeld aan de muur naast het koor van de kerk.
Aan de andere zijde van het koor van deze 12e-14e-eeuwse kerk staat een beeld van ‘De Goede Herder’ met een schaap aan zijn voeten. De man heeft een Jacobsschelp in zijn linkerhand.

We verlaten Mézin door de Engelse poort en volgen de D656. We gaan daarna over Le Bâtiment, de gemeentelijke opslagplaats. Dan meldt de routebeschrijving dat we de spoorlijn langs de D5 moeten volgen, maar hier ligt geen spoorlijn (meer). Na nog een keer goed om ons heen kijken, concluderen we dat de spoorlijn is verwijderd en dat het brede, rechte fietspad naast de D5 hoogstwaarschijnlijk over het voormalige spoortracé loopt.
Verderop bij een voormalig spoorwachtershuisje bevestigt een vrouw die boven voor het raam staat, dat dit inderdaad het oude spoortracé is. Ze wijst ons het pad dat we vanaf hier aan de andere zijde het bos in moeten volgen. In het bos ligt het voormalige spoortracé nu als breed onverhard bospad. Via de oude spoorbrug steken we de rivier de Auzoue over.

We gaan verder over het spoortracé, totdat we onder stroomdraden linksaf door het bos naar Saint-Marc lopen. Daarna volgt een slingerende, holle weg door het bos. Voorbij het huis Paloumayres gaan we richting Maisonneuve. Afwisselend door bospercelen, over asfaltwegen en via veldwegen wandelen we door. We steken nogmaals de rivier de Auzoue over en gaan dan na een stukje D5 en een steentjesweg naar de dijk van het meer van Villeneuve-de-Mézin.
Dit meer is een kunstmatig waterbassin. Rondom is een brede grasstrook, waarop onder de bomen families hun auto’s hebben geparkeerd om hier te picknicken op de hoge oever van dit diepliggende meertje. Aan de andere zijde van het meer zien we de vestingstad Villeneuve-de-Mézin liggen.

We lopen rechts langs het meer en gaan voorbij het meer rechtsaf verder over een asfaltweg. Die asfaltweg buigt af naar links, maar wij gaan in die bocht verder over een veldpad, dat over de vóór ons liggende heuvelrug rechtdoor loopt. Dit veldpad vormt de grens tussen de departementen Lot-et-Garonne en Gers.
Bovenaan de heuveltop aangekomen, zien we vóór ons het laaggelegen vestingstadje Fourcès liggen. Wij gaan nu linksaf langs de wijngaard langzamerhand naar beneden. Tussen de wijngaard en het veldpad staat een van buiten en van binnen geheel gestript oud autowrak.
Het volgende veld staat vol volop bloeiende zonnebloemen.
Het veldpad daalt, totdat we uit komen bij de boerderij Bajolle. Op het erf staat een man met een schep papieren zakken te vullen van een partijtje maïskorrels dat op het erf ligt.

We lopen om de boerderij heen en volgen de asfaltweg die naar Fourcès voert.
Eerst steken we de D29 over en dan komen we bij de bastide Fourcès, bij de toegangsbrug over de rivier de Auzoue.
Voordat we over de middeleeuwse brug de vesting betreden, bezichtigen we eerste de kerk buiten de burchtgracht. Het is de Saint-Laurent-et-Sainte-Quitterie. De kerk heeft mooie glas-in-lood-kerkramen.

Daarna gaan we de vesting binnen. Fourcès is een zeldzaam type bastide, aangezien die een cirkelvormig grondpatroon heeft. Vrij snel na binnenkomst van de vesting kom je op het ronde plein met rondom vakwerkhuizen met arcades. We pauzeren eerst op het ronde plantsoen in het midden van dit stadsplein. Op een bankje in de schaduw van de vele platanen nemen we gelegenheid om even wat te eten, te drinken, uit te rusten van de 24 kilometer lange wandeltocht en om af te koelen. Inmiddels is de temperatuur namelijk al opgelopen tot 30 graden Celsius.

Na deze rustpauze gaan we de hele arcade rond en bezoeken we onder andere een sfeervol winkeltje met tweedehands goederen en antiek.
Hier kopen we ook de vakantie-ansichtkaarten die we dit jaar aan enkele vrienden en familieleden willen verzenden. Dat is dit jaar een ansichtkaart met daarop een aantal beeltenissen van Sint Jacob, zoals je die kunt bekijken in het departement Gers, dat we ongeveer een uur geleden zijn binnengewandeld. Nadat we de bastide hebben bezichtigd, wandelen we naar de auto, die we vanmorgen binnen de vestingmuren hebben geparkeerd. Vanuit Fourcès rijden we terug naar de camping en onderweg halen we de fietsen weer op uit Cauderoue.

Pelgrimeren van Saint-Laurent naar Cauderoue

Van Sint-Jacobiparochie naar Santiago de Compostela

Sentier vers Saint-Jacques-de-Compostelle; via Vézelay
Van Saint-Laurent naar Cauderoue
Donderdag 11 augustus 2011 – 22,5 km.
Dag 105: 2215,5 – 2238 km.

Vanmorgen brengen Durkje en ik de auto eerst vanaf de camping Moulin Saint-Laurent naar Cauderoue. Op de fiets gaan we vervolgens vanuit Cauderoue naar Saint-Laurent. In zuidwestelijke richting lopen we Saint-Laurent uit. Ook hier weer zien we veel boomgaarden met appels en kiwi’s. Het eerste gehucht waar we doorheen wandelen, is Le Paravis.
Na de muren van de oude abdij (met nog resten uit het jaar 1130) gaan we Le Paravis uit en steken we de Auvignon over. Iets verderop passeren we de stuwdam in de Auvignon.
Rechts zien we de kerktoren van Meneaux. Het volgende gehucht waar we doorheen lopen, is Perquié-de-Bas.
Vrij snel daarna volgt het gehucht Perquié-de-Haut.

Daarna steken we via een oude brug met een doodlopend eind het zijkanaal van de Garonne over. Naast de brug kunnen we via een smalle stenen trap nog wel afdalen naar het jaagpad langs dit zijkanaal.
We volgen het jaagpad een kilometer in oostelijke richting, tot aan de volgende brug over het zijkanaal.

We verlaten het jaagpad en steken eerst de A62 over en direct daarna ook de D119. Aan de overzijde van de D119 dalen we af naar een smal beekje, dat we via enkele grote stapstenen oversteken. Dan volgt een stijgend en dalend slingerpad door het bos, waarbij we een heuvelrug oversteken, tot aan het gehucht Lubat.
Over een asfaltweg klimmen we in de richting van de plaatsen Salles en van Espiens, maar deze gehuchten bezoeken we niet. We verlaten namelijk de asfaltweg en gaan rechtsaf een mooi stijgend veldpad in.
We komen dan langs het gehucht Lencouet.

Als we Lencouet voorbij zijn, volgt een zeer steil klimmend traject via eerst een asfaltweg en dan door een singelpad naar het gehucht Limon. Boven op de heuvel arriveren we bij de oude dorpskerk van Limon. Naast de kerk staat een monument ter nagedachtenis aan een vliegenier van de Royal Air Force (RAF), die op 4 augustus in 1944 met zijn vliegtuig werd neergehaald. Precies een week geleden was dat 67 jaar geleden. Drie mooie kransen liggen als eerbetoon bij het monument.
Buiten het gehucht bezoeken we de plaatselijke begraafplaats van Limon. Hier heeft het graf van deze vlieger Harold Ayliffe een ereplaats gekregen. Op het graf staat de vliegtuigpropeller en aan beide zijden liggen de boordmitrailleurs. Ook hier weer bloemen en een certificaat van de RAF op het witte oorlogsgraf. Onderaan de naamplaquette staat: ‘Rest in Peace’. ‘Peace’ is wat de Geallieerden ons brachten. Ook 67 jaar na dato wordt dat hier in Limon terecht niet vergeten.

Voorbij Limon volgt een eindje asfaltweg en daarna een lang traject met prachtige paden tussen de velden door en door bomensingels. We naderen de D930. Vlak bij deze verkeersweg staat een kleine appelboom, die rijkelijk is gevuld met mooie gave en rijpe appels.
We steken de D930 over, volgen een sterk dalend bospad tot aan de D141E en volgen die weg tot aan de brug bij Vianne over de Baïse.

De vestingstad Vianne is gesticht in het jaar 1284. Het is - liggend aan de rivier de Baïse - ook een watersportbasis. We hebben inmiddels 13 kilometer zonder rustpauze gewandeld, dus we vervolgen onze route nog niet langs de rivier. Eerst gaan we even de bastide Vianne in om een schaduwrijke rustplaats te vinden. We lopen daartoe aan de overzijde van de rivier langs de oude ‘moulin’, die momenteel wordt gerestaureerd. Voorbij deze watermolen en de wateroverloop met sluis komen we bij de rivierkade van Vianne. Hier vinden we een mooie plek om te pauzeren.

Tijdens deze pauze meren twee boten aan. De Franse en Duitse watersporters helpen elkaar daarbij. Hier heerst een gemoedelijke vakantiesfeer. De temperatuur is vandaag opgelopen van 11 naar 29 graden Celsius, dus op het heetst van de dag kun je ook maar beter rustig doen wat je moet doen. De bouwlieden die tevens de wateroverloop restaureren, zijn echter hard aan het werk. Na onze pauze lopen we weer om de ‘moulin’ heen, gaan via de brug weer over de rivier en dan volgen we het jaagpad langs de Baïse. Vanaf deze rivierzijde zien we het vestingstadje vanuit een heel ander perspectief. Een groep jongeren begint zojuist hun pleziervaartuig in de sluis te schutten als we de sluis passeren.

We volgen het doorgaans schaduwrijke, onverharde jaagpad langs de Baïse. Een hele mooie wandelroute is dit. Voorbij Vianne gaan we door de hoge tunnel van de hooggelegen spoorbrug, die hier over de rivier de Baïse gaat.
Langs het jaagpad ligt een dode boom met daarop een enorme witte zwam.
Het jaagpad komt uit bij de oude watermolen van de vestingstad Lavardac. Deze vesting is gebouwd vanaf het jaar 1256. Ook hier is weer een brede wateroverloop in de rivier. Aan de overzijde ligt een rondvaartboot bij het rivierterras van een horecagelegenheid.

We doorkruisen het stadje en gaan door de nieuwbouwwijk Lavardac weer uit. Buiten Lavardac steken we de Baïse over en dan wandelen we door naar Barbaste. Barbaste ligt aan de rivier de Gélise.
We gaan niet met de brug over de Gélise, maar slaan vóór de brug linksaf om parallel aan de Gélise verder te gaan.
Je loopt dan recht op de molen van Les Tours af.
Deze versterkte molen met vier torens van ongelijke hoogte en breedte heeft ook een centraal woongedeelte.

Voorbij de molen van Les Tours lopen we naar de D408 en gaan we over die verkeersweg in de richting van Mézin. We hoeven echter niet lang in de hitte langs de D408 te lopen, want de route laat ons al snel een veldpad nemen, die linksaf afwijkt van de D408. Dit mooie veldpad stijgt langzaam - maar voortdurend - naar een bosperceel boven op de heuvelrug vóór ons. Ook na het gehucht Bordeneuve blijft het pad stijgen. Het wordt een smal bospad met rechts van het pad een diepte van ongeveer twee meter. Verderop lopen we weer tussen de velden en akkers door. Op één van die akkers staan lange Maïsplanten. Het Maïsperceel wordt op dit moment beregend door een roterende beregeningsinstallatie. De draaiende waterstraal reikt nèt niet tot aan het pad dat we bewandelen.

Daarna gaat het pad dalend terug naar de D408, die we oversteken. Het laatste deel van de route van vandaag is een veldpad langs twee boerderijen en in de richting van het markante versterkte huis dat de aandachtstrekker is van het gehucht Cauderoue.
Na ongeveer 5,5 uur en 22,5 kilometer verder arriveren we in het centrum van het gehucht Cauderou. Hier hebben we vanmorgen onze auto geparkeerd. We rijden met de auto terug naar Saint-Laurent en nemen vanuit het centrum de beide fietsen weer mee naar de camping Moulin Saint-Laurent.

Pelgrimeren van Clairac naar Saint-Laurent

Van Sint-Jacobiparochie naar Santiago de Compostela

Sentier vers Saint-Jacques-de-Compostelle; via Vézelay
Van Clairac naar Saint-Laurent
Woensdag 10 augustus 2011 – 23 km.
Dag 104: 2192,5 – 2215,5 km.

Om 7.30 uur brengen we de auto eerst vanaf de camping Moulin Saint-Laurent naar Saint-Laurent. Op de fiets gaan we vervolgens door de redelijk dichte ochtendmist vanuit Saint-Laurent naar Clairac. Bij een waterbron in het centrum van Clairac hangt een model van een Jacobsschelp, waaraan twee kranen zijn bevestigd. Uit één van de kranen stroomt een beetje water.
In het centrum op het terras van het café drinken we eerst een kop koffie. Tegenover het terras wordt de plaatselijke slager bevoorraad. Een vleeswagen staat vóór de winkeldeur en de chauffeur sjouwt op zijn schouder en rug achtereenvolgens twee zware bouten vlees vanuit de koelwagen in de slagerswinkel.

Durkje en ik starten onze wandeling vanuit Clairac om 9.20 uur. De mist is dan al opgetrokken. De zon heeft het gewonnen van de bewolking en de temperatuur die vanmorgen vroeg op de fiets nog maar 9 graden Celsius was, is tijdens onze fietstocht en de koffiepauze erna al opgelopen tot 20,5 graden Celsius. Het is schitterend weer om onze wandeling te beginnen. De lucht is nagenoeg onbewolkt en de temperatuur loopt dan ook vandaag op tot 27 graden Celsius. In het centrum van Clairac passeren we oude vakwerkhuizen.
Tussen de mooie oude panden staan ook enkele panden leeg. Ramen zijn al dan niet dichtgetimmerd en het geheel van niet onderhouden exterieurs en interieurs maakt een nogal verwaarloosde indruk.


We passeren ook het oude huis van Montesquieu. Daarna lopen we langs de abdij de trappen af naar de oever van de rivier de Garonne, die door Clairac stroomt. Bij het strand van Clairac arriveren we bij de oever van de Garonne.
Vanaf het strandpaviljoen zien we in de Garonne de wateroverloop en ver boven de Garonne gaat de brug, waarover we vanmorgen Clairac binnenfietsten.

We verlaten Clairac en steken de D217 over. We wandelen over de asfaltweg langs de grote bomenkwekerij van Gravet-des-Coteaux. Daarna gaan we door het langgerekte Seillade.
Voorbij Seillade klimmen we linksaf over een smalle asfaltweg. We passeren achtereenvolgens de gehuchten Thabor, Claustre en Raulin. Bij Thabor ontmoeten we bij één van de akkers drie mannen en een vrouw, die net klaar zijn met het opladen van de grote geoogste tabaksplanten op de aanhangwagen van een tractor. De chauffeur trekt de geladen boerenwagen met de tractor van het land op de asfaltweg. De vrouw en de andere twee mannen nemen aan de zijkant plaats op de boerenwagen en laten zich zo vervoeren. Als ze zien dat we een foto van dit mooie tafereel willen maken, stopt de tractorchauffeur, kan Durkje plaatsnemen naast de drie op de boerenwagen en verkrijgen we zo een mooie foto van dit bijzondere tabakstransport.

Het duurt maar even of één van de mannen komt al weer terug met een tractor.
Hij gaat met een snijmachine langs een lange rij tabaksplanten, om ze vlak boven de grond af te snijden. De anderen kunnen hem dan volgen om de tabaksplanten op een wagen te laden.

Verder wandelend krijgen we uitzichten over de stad Tonneins, over de dalen van de rivieren de Lot en van de Garonne. Voorbij Raulin gaan we verder over een onverharde weg. Rechts van ons zien we in de verte boven op een heuvel het grote kruis van Pech-de-Berre al staan. Die kant gaan we op, maar we dalen eerst in een heuvelkom. Bij een oude wasplaats gaan we het bos in.
We klimmen door het bos tot boven op het plateau. Rondom op het plateau van Pech-de-Berre is overwegend grasland. We steken het plateau over en passeren daarbij een oude boerderijruïne.
Een eind verder komen we langs een kilometragepaal, waarop staat dat het vanaf hier nog 1116 kilometer is naar Santiago de Compostela.

Vlakbij zien we het monumentale kruis van Pech-de-Berre staan. In 1896 is na een missiepreek in alle parochies die uitkeken op deze hooggelegen plek van Pech-de-Berre gecollecteerd voor dit metalen kruis. Het blauwe kruis is 18 meter hoog en aan het kruis hangt een wit beeld van Jezus Christus. Boven Jezus’ hoofd hangt het welbekende tekstbordje ‘INRI’.
Het kruis staat op een gemetselde verhoging. Het kruis is op de Paasmaandag in het jaar 1897 geïnaugureerd. Met een ingemetselde stenen trap kun je van binnenuit en buitenom naar boven klimmen, waar een plateau is, waarover je een rondgang rond het kruis kunt maken. Achter het kruis staat een overdekte markthal.

Tegenover het kruis nemen we een dalende asfaltweg met haarspeldbochten. Halverwege de afdaling gaan we verder dalend over een onverhard veldpad. Diep beneden in het dal zie je de samenloop van de rivieren de Lot en de Garonne. Beneden komen we langs de begraafplaats in het dorpje Nicole. Daar steken we de N113 over en gaan we onder de spoorlijn door.
Vanuit de spoortunnel krijgen we vóór ons het zicht op de brede rivier de Garonne.
We lopen over het oud geplaveide jaagpad langs de Garonne. Rechts vóór ons zien we Ile Saint Sébastien liggen. Dit riviereilandje wordt afgesneden van de vaste wal door de Canalet, het kleine kanaal, waardoor de schepen de samenloop van de Garonne en de Lot zonder problemen kunnen passeren.

Aan deze zijde ligt een sluis, die de overgang vormt van de Canalet naar de Garonne.
We gaan verder langs de Canalet. We passeren een boomgaard met bomen die vol kiwi’s hangen.
Voorbij deze boomgaard moeten we onder langs de rivierdijk lopen. Als we een asfaltweggetje oversteken, zien we links hoog boven ons het kruis van Pech-de-Berre boven op de heuvel staan.
Aan de overzijde van het asfaltweggetje ligt een hele grote boomgaard. We moeten tussen de percelen met de rijen bomen door. De bomen en de vruchten zijn aan de bovenzijde en aan de zijkanten afgedekt met enorme netten. Links en rechts hangen veel kiwi’s, maar hier en daar komen we ook langs rijen appelbomen. Mooie rode appels hangen hier aan de bomen.

Voorbij de boomgaard en een lange woonstraat aan de voet van de rivierdijk komen we bij de brug over de Lot. Voorbij de brug zien we de electriciteitscentrale en de camping van Aiguillon.
Over deze brug zullen we de Lot oversteken om in Aiguillon aan te komen.
Direct na de brug arriveren we in Aiguillon en gaan we bij het brughoofd naar beneden, richting stadscentrum.
We hebben al ruim drie uren zonder pauze gelopen, dus het wordt zo langzamerhand wel eens tijd om te rusten en wat te eten en te drinken. In een oude stadswijk vinden we tussen twee rijen oude huizen een heel smal grasplantsoen met aan beide zijden een laag muurtje, de ene in de volle zon, de andere in de schaduw. Een hele mooie plek om even te pauzeren, in de schaduw, want het is al warm op dit moment van de dag.

De bastide Aiguillon is in het jaar 1300 gesticht door Philips de Schone. De stad heeft een hertogenkasteel, dat nu Lyceum is. De vesting is hier gesticht vanwege de samenloop van de twee rivieren de Lot en de Garonne. Na onze rustpauze lopen we door het centrum. We bezoeken ook de grote stadskerk met de vele glas-in-loodramen. Daarna wandelen we langs onder andere de watertoren, via de brug over de N113 en door de buitenwijk de stad uit. Bij de nieuwbouwwijk gaat de verharde weg over in een veldpad. Daarna klimmen we over een asfaltweg via de gehuchten Ranse, Le Chey en Salomon. Voorbij Salomon gaat het verder over een onverharde weg op de flank van de helling.

In het veld hogerop moeten we even goed zoeken om bewegwijzeringstekens, maar die vinden we niet. De routekaart laat echter zien dat we langs een bosperceel moeten klimmen, volgens de beschrijving langs een boomgaard, maar dat blijkt een perceel met maïs te zijn. Tussen twee percelen met hoogopgaande maïs gaan we boven verder. Na een bocht tussen de akkers blijven we tussen maïsvelden doorlopen, onder een beregeningsinstallatie door tot over het erf van de boerderij van Perneau.
Op het erf van de boerderij Perneau gekomen, kruipen twee honden blaffend door het gat van een staldeur en blijven daar blaffend staan kijken, totdat we de bocht om zijn en hun erf verlaten. We gaan zigzaggend via een asfaltweg naar beneden, het dal in. Daar lopen we langs het door de bomen aan het zicht onttrokken Chateau des Palais. Vervolgens gaat het via veldpaden tussen de velden door dalend en stijgend naar de volgende heuvelrug. Van bovenaf op de heuvelrug verkrijgen we een schitterend uitzicht over het Garonnedal. In de verte zien we ook twee rokende schoorstenen van een kerncentrale.

In de afdaling volgen we een panoramaweg met mooie uitzichtspunten. Dan dalen we tweemaal steil het dal in. We zijn nu ter hoogte van de plaats Port-Sainte-Marie aangekomen.
Als we een scherpe bocht uit komen, staat ongeveer twintig meter vóór ons een hert, dat heel even stilstaand, ineens in de bossage verdwijnt. We volgen de D304 en komen langs een oude wasplaats. De wasbassins staan beide geheel droog. De plaats Port-Sainte-Marie is vroeger gebouwd op de kruising van drie Romeinse wegen. De havenstad aan de Garonne is ook lang een bedevaartsplaats geweest voor aakschippers, die hier in de kerk de maagd Maria aanbaden om het gevaarlijke stuk van de Garonne naar Bordeaux behouden door te mogen varen. Voorbij het treinstation gaan we rechtsaf onder de spoorlijn door. We komen bij de brug die de plaatsen Port-Sainte-Marie en Saint-Laurent aan beide zijden van de Garonne verbindt. We lopen naar de overzijde.

Aan de andere zijde van de Garonne, arriveren we in Saint-Laurent, onze bestemming voor vandaag. Hier staat de auto geparkeerd. We rijden eerst nog naar Clairac om onze fietsen daar af te halen. Daarna gaan we weer terug naar Saint-Laurent, om daar weer op onze kampeerplaats van camping Moulin Saint-Laurent te arriveren. In iets minder dan 6 uren hebben we de route van vandaag over een afstand van 23 kilometer afgelegd. Ook vandaag weer een hele mooie route met veel verrassende zaken onderweg.

Pelgrimeren van Magre naar Clairac

Van Sint-Jacobiparochie naar Santiago de Compostela

Sentier vers Saint-Jacques-de-Compostelle; via Vézelay
Van Magre naar Clairac
Dinsdag 9 augustus 2011 – 24 km.
Dag 103: 2168,5 – 2192,5 km.

Gisteren hebben we de caravan verplaatst van Lougratte naar Saint Laurent. Vanmorgen brengen we de auto eerst vanaf de camping Moulin Saint Laurent naar Clairac. Hier willen we aan het eind van deze wandeldag arriveren. Op de fiets gaan we vervolgens vanuit Clairac naar Magre, op de plaats waar het pelgrimspad de D667 snijdt, ter hoogte van Monclar. Hier starten Durkje en ik om 9.25 uur.
Aan de overzijde van de D667 lopen twee kalkoenen lawaaierig roepend om aandacht. Het mannetje komt dicht lang het gaas lopen om vooral op te vallen en te imponeren.
We klimmen het veldpad op en gaan het bos in. Verderop dalen we tussen een boomgaard en een bos. Op een gegeven moment slaan we rechtsaf in een hoogopgaande holle bosweg.

We bereiken de splitsing van Pouchatel. Daar nemen we het lagergelegen onverharde bospad. Daarbij passeren we al spoedig een kilometragebord, waarop staat dat het vanaf hier naar Santiago de Compostela nog 1103 kilometer gaans is.
Enkele honderden meters verder vinden we onder een hoge boom een groot deel van een wespennest. Hoog boven in de boom zie je nog de basis van het wespennest, waarvan het nest is afgebroken, dat nu op de grond ligt naast ons pad.

Na een afdaling door het bosgebied komen we via een grindweg en een asfaltweg door het gehucht Lissandre.
Voorbij Lissandre gaan we tussen boomgaarden door en dan arriveren we via de D225 in Castelmoron-sur-Lot.
Het dorp gaan we binnen langs het busdepot, de voetbalvelden, het fitnessparcours en de begraafplaats. Daarna wandelen we het centrum binnen. Bij de plaatselijke bakker kopen we overheerlijke rozijnenbroodjes en van een lekkere kop koffie genieten we in de zon op het terras van het café-restaurant tegenover het dorpsplein, met daarop de oude markthal. Na deze koffiepauze bezichtigen we de dorpskerk, waar op dat moment juist een gids aan een groep bezoekers vertelt over de ins en outs van dit kerkgebouw.

Daarna wandelen we door de oude straten van Castelmoron-sur-Lot. De huizen zijn in traditionele bouwstijl gebouwd, met grote stenen en tussendoor rode platte stenen. Ook enkele vakwerkhuizen passeren we.
Door de smalle, oude straatjes dalen we naar de rivieroever van de Lot. Links zien we over de volle breedte van de rivier ongeveer tien grote schotten, die het rivierwater hier keren. Het is een electriciteitscentrale.
Rechts van ons ligt de brug over de Lot. Deze brug verschaft het verkeer toegang tot de grote doorgaande weg D666, die aan de zuidzijde van de Lot ligt.
We lopen onder de rivierbrug door in de richting van het gemeentehuis. Aan de overzijde van de rivier is een strandje en een zwemgelegenheid. We gaan via de stenen traptreden naar boven, naar het gemeentehuis. Dat gemeentehuis is gebouwd in Moorse stijl, veel hout in de gevel, in de kleur paars.

Voorbij Castelmoron-sur-Lot gaan we zigzaggend over asfalt langs een groot aantal tegen de helling gebouwde woningen. Dit betekent een behoorlijke klim naar boven, in de richting van Sul-Roc. Een wielrenner komt in zijn snelle afdaling van de andere kant, ondertussen zijn afdaling filmend met de camera van zijn telefoon. Verderop houdt het asfalt op en gaat de weg verder als een onverhard veldpad langs de rand van de helling. Bovenop de heuvel heeft een boer het veldpad tussen de beide stukken weiland links en rechts in gebruik voor een kudde koeien. We moeten tussen deze koeien door om onze route te vervolgen.

Net voorbij de koeien gaan we linksaf tussen een akker en een weiland door. Daarna volgt een bospad, dat ons uiteindelijk voert naar het gehucht Cardaillac. Bij het eerste huis liggen twee grote zwarte honden aan een ketting en een derde hond – een Duitse herder – wandelt vrij over het omheinde erf. De honden beginnen alle drie vervaarlijk te blaffen, als we het erf naderen. Een klein meisje van zo’n drie jaar zit op een stoeltje op het erf en kan ons nog niet zien. Op grond van het geblaf van de drie honden, begint het meisje ons ongezien aanhoudend met een luid “bonjour” te groeten. Op het moment dat we elkaar wel kunnen zien, wuiven we wederzijds. Dit meisje kan kennelijk aan het geblaf van de honden horen dat er iemand voorbijgaat. Als we een eind verder bij de D202 aankomen, verlaten we Cardaillac.

We volgen de D202 en gaan bij de oude waterput van Touraille rechtsaf verder, in westelijke richting.
Dan volgt een mooie route tussen boven op de heuvelrug liggende velden en bomengroepen. We zijn nu op weg naar Laparade, maar moeten daartoe met een ruime bocht westomwaarts tussen onder andere boomgaarden eerst in het tussenliggende diepe dal afdalen, waarna ons wederom een flinke klim te wachten staat om aan de overzijde van het dal omhoog te klimmen in de richting van Laparade.
Boven aangekomen, volgen we de oorspronkelijke wachtersweg van de voormalige burcht van Laparade. Ter hoogte van een nog resterend deel van de slotgracht, betreden we tussen oude burchtmuurdelen door de voormalige vestingstad Laparade.

Rechts van de ingang is een oorlogsmonument van de Tweede Wereldoorlog. In 1944 zijn hier een aantal leden van de plaatselijke communistische partij gefusilleerd door de Duitse nazi’s. Namen en foto’s van de gefusilleerde mannen en een vrouw hangen ter nagedachtenis aan de binnenzijde van de oude burchtmuur, opdat wij allen nooit vergeten en voortdurend zullen blijven worden herinnerd aan de slachtoffers van het nazibewind. We wandelen de gedenkmuur voorbij en komen in de vestingstad, die is gesticht in het jaar 1269. Het is stil in de straten van deze plaats. We doorkruisen het stadje door die stille straten en komen aan de andere zijde op een open plaats, die deels rondom wordt begrensd door de oude burchtmuur. Hier staan voor honderden mensen lange rijen tafels en stoelen, waarschijnlijk voor een ophanden zijnd evenement. Over de burchtmuur heen kijkend, heb je een voortreffelijk uitzicht over het uitgestrekte dal, waardoor de rivier de Lot stroomt aan de voet van deze vesting. Kilometers ver reikt je uitzicht.

Een eindje verder gaan we - na een pauze - via de trappen naar beneden, we passeren een kleine panoramacamping en dan verlaten we net voorbij de oude openbare wasplaats de bastide Laparade.
We gaan wederom omhoog, nu via een steentjesweg. Na een flinke klim gaat het pad verder langs de rand van de helling. We steken de asfaltweg van Capdemail over. Verderop dalen we weer en komen we uit in het gehucht Monbarbat. We steken de C6 over en gaan dan het bos in. Ook dit is een wel heel steile klim over een smal bospad. Het thema van deze dag kunnen we het beste karakteriseren als ‘pittig en prachtig’, want de uitzonderlijk veel, lange en steile klimmen voeren ons keer op keer weer naar hoge locaties, vanwaar we prachtige uitzichten verkrijgen. Boven op de steile helling aangekomen, passeren we een oude molenruïne in het bos.

We dalen deze heuvel af en klimmen even later een plateau op. Nogmaals genieten we van een schitterend vergezicht.
Op het plateau volgen we over een afstand van ongeveer een kilometer een asfaltweg. Na een bocht scherp linksaf gaan we verder over asfalt. Vanaf hier hebben we mooie uitzichtspunten over het dal van de rivier de Lot en over de hellingen van de Madmandais. We zien bijvoorbeeld ook onze dagbestemming Clairac liggen in het dal van de Lot.

Het laatste gehucht dat we vandaag doorkruisen, is La Molère.
Als je zo’n Frans gehucht nadert en binnenwandelt, zie je vaak direct al wat voor soort gehucht het is. Sommige Franse gehuchten – en daar hebben we zo onderhand al veel van gezien – zijn ware spookdorpen. La Molère is daar een goed voorbeeld van. Het merendeel van de gebouwen staat leeg en is in de loop van de jaren overwoekerd door allerlei planten. Je ziet niemand op straat, en alles biedt een lege, verlaten sfeer, zo dus ook hier La Molère.
Daken zijn ingestort, muren zijn gevallen, het is onbewoonbaar en een eenrichtingsweg voor wat betreft verdergaande aftakeling van zo’n plaats.

Aan het eind van het dorp passeren we een boerenbedrijf waar je niets en niemand meer verwacht. Als we erlangs lopen, gromt en blaft een grote hond vervaarlijk achter de dikke blinde muur. Hier ben je dus niet welkom, dat is wel duidelijk. Tien meter verder liggen drie haveloze schapen en twee schamele geiten tegen een halfomgevallen muur in de schaduw. Tussen de rommel door kunnen ze nog in een klein aangrenzend weiland komen om te grazen. Wij laten La Molère achter ons en wandelen door naar Clairac. Via de D126 wandelen we Clairac binnen.
Bij de Franse Gereformeerde kerk van Clairac arriveren we op het plein, waarlangs we vanmorgen onze auto hebben geparkeerd.

Met de auto halen we de fietsen weer op uit Magre, om tenslotte terug te keren naar onze camping in Saint Laurent. Het was vanmorgen nog fris met een temperatuur van 13 graden Celsius. De temperatuur liep vandaag op tot 23 graden Celsius. We hebben slechts enkele druppels regen gevoeld. De lucht was bewolkt, soms zwaar en dreigend, maar doorgaans scheen de zon volop tijdens de vele zonnige perioden. De frisse wind completeerde het weerbeeld tot een prima ondersteuning voor een mooie wandeldag. We hebben vandaag weer 24 mooie kilometers toegevoegd aan onze pelgrimstocht.

Pelgrimeren van Cappelat naar Magre

Van Sint-Jacobiparochie naar Santiago de Compostela

Sentier vers Saint-Jacques-de-Compostelle; via Vézelay
Van Cappelat naar Magre
Zondag 7 augustus 2011 – 18 km.
Dag 102: 2150,5 – 2168,5 km.

Gisteravond hebben we op de camping harde wind gehad, maar als we vanmorgen opstaan, is het nagenoeg windstil. We brengen eerst de auto naar Magre, op de plaats waar het pelgrimspad de D667 snijdt, ten zuiden van Monclar. Dan fietsen we terug naar Cappelat, waar we gisteren zijn gestopt. De zon breekt af en toe al even door de wolken. Het is lekker fris weer en vandaag wordt het een zonnige dag, waarbij de temperatuur oploopt tot 23 graden Celsius; schitterend wandelweer dus. We beginnen vanmorgen om 9.00 uur te wandelen bij de brug over de rivier de Maure. Durkje en ik lopen parallel aan de rivier over een mooi veldpad door de weilanden langs de oever van de rivier. Onderweg ontmoeten we een man met drie grote Ierse Wolfshonden. Hij vraagt ons of wij Sint-Jacobspelgrims zijn en wenst ons een ‘bonne camino’.

Verderop lopen we vlak vóór Pradel op een snijpunt van een aantal veldpaden langs het wrak van een Citroën 2CV, ofwel een Lelijk Eend. In de loop van de jaren zal de natuur het autowrak overwoekeren.
Achter één van de woningen van Pradel lopen enkele ezels in het weiland.
Als we ten noordwesten van Saint-Pastour tussen enkele weilanden door zullen lopen, zien we een waarschuwingsbord van een plaatselijke boer. Hij waarschuwt de voorbijgangers voor de hier grazende stieren. Wij hoeven niet bang te zijn, want alleen in de verte lopen enkele stieren in het veld, maar die verwijderden zich van ons heuvelafwaarts.

Voorbij het gehucht Couret moeten we flink klimmen naar de rotsachtige heuvel waarop het dorp Saint-Pastour is gebouwd. We komen via de lage wachtrondweg na deze klim uit bij de ruïne van dit oude feodale kasteel van Saint-Pastour. De bastide Saint-Pastour is gesticht in 1272 en deze vesting heeft de vorm gekregen van de hoge rots waarop de bastide is gebouwd.
We wandelen naar de westpoort en zien boven op die toegangspoort een standbeeld van Jeanne d’Arc, gemaakt en aangeboden door een Nederlandse kunstenaar.
We gaan het dorp in, op zoek naar een café voor een kop koffie en om de kerk te bezichtigen. De kerk blijkt gesloten te zijn, maar boven de ingang van de kerk zien we in de gevel een Jacobsschelp gemetseld.

Er is een café in Saint-Pastour, maar die is op zaterdagmiddag en gedurende de hele zondag gesloten. Geen koffie dus vandaag. Daarom lopen we door naar het iets lager liggende uitzichtspunt van de vesting. We hebben vanaf hier een mooi uitzicht over het dal vóór ons.
Na wat gegeten en gedronken te hebben, dalen we af naar de veel lager liggende verkeerswegen rond het dorp. We verlaten Saint-Pastour via de D133.
Daarna volgt een veldpad, we steken de D273 over, gaan verder over een asfaltweg en slaan dan rechtsaf een veldpad in, waarmee we behoorlijk stijgen tot aan het gehucht Auzac, vanwaar we een schitterend uitzicht hebben over de dalen rondom. Achter ons zien we ook Saint-Pastour nog liggen boven op haar heuvel.

We klimmen door naar het beboste Plateau van Caubel. Hier lopen we over de kamweg door het bos.Ter hoogte van Missandre krijgen we weer een mooi uitzicht over de dalen aan onze rechterzijde.
Voorbij Massandre gaan we over asfaltwegen door naar het gehucht Bagnat.
Dan dalen we over asfalt naar de brug over de rivier de Caussade. We moeten echter niet over de brug, maar nog vóór de brug rechtsaf door de weilanden verder, parallel aan de rivier. Pas een halve kilometer verder steken we via een houten brug de Caussade over en dan komen we in een bosperceel nabij Saint-Pierre-de-Caube. Eerst gaan we over een breed bospad, daarna over een smal, hol bospad en vervolgens over een veldpad, totdat we bij het gehucht Matalinots weer bij een asfaltweg aankomen.

We zijn nu al zo’n drie uren aan het lopen en het wordt zo langzamerhand echt wel tijd om eens wat te eten, maar een geschikte zitplaats vinden onderweg, viel ons het afgelopen uur niet mee. We lopen via de asfaltweg in de richting van Le Pigeonnier. Vlak vóór dat gehucht lopen we tussen een woning en een Duiventoren een erf op.
Aan de voet van de Duiventoren ligt een stapel brandhout. Een mooie plek om op te zitten, dus hier pauzeren we om ons brood te eten.

Als we na deze pauze het erf overgestoken zijn, lopen we eerst door een boomgaard en vervolgens door een bosperceel. Daarna volgt een anderhalve kilometer lange asfaltweg door Roudayne en Couret, waarna we bij het gehucht Réginat de D262 oversteken.
Dan volgt weer een stevige klim over een stenig pad. We komen nu boven op een heuvel, op een kamweg, die we in westelijke richting volgen. Onderweg zien we vóór ons regelmatig het dorp Monclar liggen, boven op een hoge heuvel, een markant punt in dit landschap.
We steken na een afdaling de rivier de Tolzac over en komen via een asfaltweg uit bij de D113, ten zuiden van Monclar. Op deze splitsing staat een wegwijzer met daaraan negen verschillende wegwijzerplaten van evenzoveel gehuchten die nu achter ons liggen.

We volgen de D113 om bij het recreatiecentrum van Magre het veld weer in te lopen. Daarbij komen we aan bij het meer van Magre. Er is volop ruimte voor dagrecreatie, maar er mag hier niet worden gezwommen. Het weer is voortreffelijk, maar er is niemand bij deze recreatieplas. Aan de overzijde van het meer ligt het hooggelegen dorp Monclar.
Bij de oude molen (moulin) van Magre steken we het kanaaltje over. De oude molen is in verval geraakt en zal de komende jaren veranderen in een ruïne, als er niets aan wordt gedaan. Het biedt nu in elk geval een troosteloze aanblik.

Achter de molen ligt een zandpad en verderop een grindweg door het veld, waarover we onze weg vervolgen. Enkele honderden meters verderop komen we aan op de plaats waar dit pad de D667 snijdt. Aan de overzijde van deze weg staat onze auto. We hebben vandaag evenals gisteren weer 18 kilometer gewandeld. Het is nu 13.45 uur als we in de auto stappen. We rijden nog even door Monclar, halen onze fietsen daarna uit Cappelat en gaan vervolgens terug naar onze camping aan het meer in Lougratte.

Pelgrimeren van Lachau naar Cappelat

Van Sint-Jacobiparochie naar Santiago de Compostela

Sentier vers Saint-Jacques-de-Compostelle; via Vézelay
Van Lachau naar Cappelat
Zaterdag 6 augustus 2011 – 18 km.
Dag 101: 2132,5 – 2150,5 km.

Als we om 6.30 uur opstaan, is het droog, maar wel zwaarbewolkt. We brengen de auto aan de overzijde van de rivier de Maure, over de brug van de D413 nabij Cappelat. Dan fietsen we van Cappelat via Cancon en Lougratte naar Lachau. Al vrij spoedig in het dal van de Maure begint het te regenen, en ook zoveel dat het regenpak aan moet om niet direct al nat te worden alvorens de wandeling van 18 kilometer van vandaag nog moet beginnen. Halverwege de fietstocht wordt het weer droog en kan de regenkleding in de fietstassen. In Lachau laten we de fietsen achter. Precies op het moment dat we gaan lopen, begint het weer te regenen. Het regent niet hard, dus we kunnen prima wandelen met de paraplu. Dan lopen we - evenals gisteren - langs de watertoren van Lachau. We gaan op de splitsing van Lachau rechtsaf naar Rocadet.

We lopen in de regen door naar het gehucht Daudou.
Bij Daudou gaan we het dal in. Verderop klimmen we het dal uit in de richting van Millac. Inmiddels regent het niet meer.
Over een asfaltweg klimmen we naar de 16e-eeuwse kerk van het gehucht Eglise de Millac. Deze kerk heeft een voor deze streek zo karakteristieke klokkengevel.
Vanuit Millac klimmen we over de asfaltweg verder naar de kamweg, die over de heuvelkam van de volgende heuvelrug loopt. We kruisen ook deze kamweg en gaan het volgende dal in, om aan de overzijde weer over de volgende helling dit dal uit te klimmen via een dalpad.
Boven aangekomen, steken we de daar liggende geasfalteerde kamweg over. We lopen langs een bosperceel omlaag en komen uit in het gehucht Périllac.

Langs enkele boomgaarden lopen we over veldpaden vervolgens naar het hooggelegen Cancon.
Door een buitenwijk, langs de scholengemeenschap, het gemeentehuis en de overdekte markthal komen we in de hoofdstraat van Cancon bij Café du Commerce. Hier gaan we naar binnen voor een koffiepauze.
Na deze rustpauze na onze eerste zes kilometer van vandaag steken we de N21 over en dan komen we in het hoger gelegen deel van Cancon, bestaande uit een wirwar van een aantal hele oude woonstraatjes uit de 14e, 15e en 16e eeuw. Van één van de panden staat alleen de gevel nog overeind. De rest van de woning is gesloopt en wordt momenteel van binnenuit weer opgemetseld. Bouwsteigers staan tegen de gevel, waarvan het oude pleisterwerk is verwijderd. Veel van deze oude huizen zijn gebouwd in vakwerkstijl.

Voorbij Place des Maronniers volgt een steile klim naar het hoogste punt van Cancon, het uitzichtspunt, waar vroeger het kasteel van Cancon op heeft gestaan.
Bij de restanten van de oude vestingmuur en bij de basis van de oude kasteeltoren bereiken we het uitzichtspunt. Dit voormalige kasteel is gebouwd op een hoge rotspunt.
We hebben vanaf hier een schitterend panoramisch uitzicht over de hellingen van de Hoge Agennais rond Cancon en over de stad Cancon. In de verte zien we de watertoren, waar we twee uren geleden onze wandeldag aanvingen.
In de afdaling gaan we vervolgens links om de restanten van de 12e-13e-eeuwse ringmuur heen. Dan dalen we over een steil en smal voetpad. Even later wandelen we Cancon uit in westelijke richting langs de D124.

Vlak voor Lamouthe verlaten we de D124 om langs enkele boomgaarden naar de notencoöperatie van Lamouthe te gaan.
We lopen achter de coöperatie langs, vervolgens over het erf van een boerderij en dan lopen we achter die boerderij over een dam tussen twee vijvers door. De brandweer heeft een pompsysteem in de vijver aangelegd, om hier het bluswater vandaan te halen. We lopen rechtsaf om de rechter vijver heen en gaan dan verder over enkele veldpaden. Op één van die veldpaden zien we enkele meters vóór ons een ree met een jong oversteken tussen het maïsveld links en het zonnebloemenveld rechts van ons. Eerst kijkt de volwassen ree goed uit of het veilig is om het veldpad over te steken en dan verdwijnt ze tussen het hoge maïs. Direct daar achteraan komt het reekalfje.

We komen uit in het gehucht Genestat.
Op het erf van de boerderij van Genestat staat een oude schuur met daarop een Duiventoren.
We komen door het gehucht Lacapelle en passeren daarna Moulinet. Vlak voorbij Moulinet komen we bij een stenen brug over de beek Mangane. We nemen een etenspauze op één van de brugmuren van deze brug. Na deze rustpauze passeren we de gehuchten Les Allemans en Laporte. We lopen over een breed veldpad door een hele grote boomgaard. Hier staan appelbomen met enorme gele appels.
Verderop staat een rij bomen met kanjers van nectarines.
We passeren ook een bomenrij met kiwi’s.
En voorts lopen we tussen grote percelen pruimenbomen door. De grond onder de pruimenbomen ligt bezaaid met afgevallen pruimen. De bodem onder de bomen kleurt paars onder de lange rijen pruimenbomen.

We lopen eerst langs de bosrand en daarna door het bos van Monbahus. Voorbij het bos komen we op een plateau, waar we een asfaltweg volgen. Verderop volgt een heel smal, hol en voor ons afdalend bospad. Je kunt zoals zo vaak in het bos merken dat we de eersten zijn die hier vandaag passeren, want om de haverklap lopen we met ons gezicht in een spinnenweb. Het bospad gaat over in een veldpad langs al weer geploegde akkers en langs nog bebouwde akkers. Voordat we een asfaltweg oversteken, komen we nog langs een grote boomgaard met hazelnootbomen. De bomen hangen vol bijna volgroeide hazelnoten.

Aan de overzijde van de asfaltweg steken we een beekje over via een oude brug met nieuwe brugleuningen. We zijn hier ter hoogte van het gehucht Pont Vieux.
Even later passeren we het gehucht La Vassale.
Vanaf de volgende kruising van asfaltwegen gaan we rechtsaf over de D413. Even voorbij Auliac komen we langs een huis dat aan de weg staat. Op het erf blaft een grote zwarte loslopende hond, maar hij komt niet in de buurt van de weg. Van rechts komt een andere hond aanlopen, die een eind met ons mee wandelt. De hond loopt voortdurend – ondertussen nadrukkelijk om aandacht vragend - een eindje met ons mee. Als we via de brug de rivier de Maure oversteken, loopt hij nog even mee, totdat we daar bij onze auto arriveren.
Hier laten we de hond achter.

Wij rijden met de auto weer terug naar Lachau om daar onze fietsen vandaan te halen. Tenslotte gaan we terug naar de municipal camping in Lougratte. Het was vandaag niet zo’n lange tocht, maar ondanks de regen aan het begin van de dag toch wel een heel mooie wandeltocht. Prachtige veldpaden, mooie gehuchten, Cancon met haar hoge panorama en al die boomgaarden met bomen vol bijna rijp, rijp en overrijp fruit. Allemaal op één dag in 18 kilometer en ruim binnen vijf uren wandelend te zien en te beleven.

Pelgrimeren van Mandacou naar Lachau

Van Sint-Jacobiparochie naar Santiago de Compostela

Sentier vers Saint-Jacques-de-Compostelle; via Vézelay
Van Mandacou naar Lachau
Vrijdag 5 augustus 2011 – 20,5 km.
Dag 100: 2112 – 2132,5 km.

Om 6.20 uur tikt de regen op het dak van de caravan. Om 6.25 uur horen we het onverbiddelijke geluid van de wekker. Ja, met dit weer is het wel heel aantrekkelijk om je nog een keer om te draaien in je bed en te wachten tot het stopt met regenen. Toch staan we op. Immers,’ Ultreia!’, is wat pelgrims elkaar toeroepen. ‘Geef niet op, ga door, houd vol, houd goede moed’. Dus staan Durkje en ik toch op om ons klaar te maken voor deze dag, al weer onze 100e pelgrimsdag! Tegen 7.45 uur rijden we met de auto vanaf de camping door het dorp Lougratte om de auto naar de watertoren van Lachau te rijden, tussen de dorpjes Tourette en Rocadet, die beide zo’n drie kilometer liggen verwijderd van onze camping. Het regenpak moet aan, want het regent voortdurend. We laten de auto achter aan de voet van de watertoren en fietsen in de regen door Lachau naar de N21, de weg van Lougratte naar Bergerac. We fietsen over de N21 tot aan Plaisance en verlaten dan de N21 om nog een kilometer door te fietsen naar het dorpje Mandacou, waar we gisteren onze wandeling beëindigden. Het regent nog steeds en het ziet er beslist niet naar uit dat het spoedig droog zal worden. Daarom verwisselen we de regenjassen voor de regencapes en laten we de fietsen achter in Mandacou.

Tegenover de dorpskerk gaan we een glibberig, dalend bospad in.
Na de afdaling volgt een klim over hetzelfde pad, nog een stukje asfalt, en tenslotte een brede stenige weg door een bosperceel, langs de oude steengroeve.
Het stenige pad voert ons naar het gehucht Pindrat, waar we doorheen lopen.
We gaan door een bosperceel, steken de D25 over, gaan weer door een bosperceel en steken bij de molen van La Pouge de beek Banège over. Daarna gaan we door La Pouge, steken de asfaltweg van Eyrenville over en volgen we het voetpad naar Fontenelles. We gaan in zuidelijke richting verder en komen door Bonnefon. Voorbij Bonnefon nemen we de lange asfaltweg naar Le Pont de Cause, waar deze asfaltweg de N21 kruist. Onderweg steken we met een stenen brug het riviertje de Mauroux over. Dit is de grens waar we de Dordogne achter ons laten en nu Lot-en-Garonne binnenwandelen.

We vervolgen deze asfaltweg tot aan de N21. Bij de pruimendrogerij van Maître Prunille steken we de N21 over, om via de wegkant deze drukke verkeersweg in zuidelijke richting te volgen.
We steken met de brug van de N21 de rivier de Dropt over, lopen nog zo’n 300 meter verder en gaan dan bij de eerstvolgende kruising linksaf in de richting van Cousin. Vlak nadat we de rivier de Douyne zijn overgestoken, gaan we over een veldpad in zuidelijke richting. We stijgen langs de rand van een populierenbos en een notenaanplant. Het is een begroeid veldpad met hoogopgaand gras, dus binnen de kortste keren zijn onze sokken in de zogenoemde waterdichte wandelschoenen door en door nat. Het regent nog steeds, maar de lucht wordt iets lichter. Zou de regen dan toch nog stoppen vandaag? Bij La Ferrette komen we weer op asfalt. Heel langzaam is het droog geworden. We wagen het erop en trekken hier de regencapes en de regenbroeken uit. Vanaf hier zien we in de verte het hooggelegen dorp Castillonnès liggen, waarnaar we nu op weg zijn.
We passeren een oude molen.

Vlak vóór Castillonnès gaan we verder op de D121. We passeren een betrekkelijk nieuw bejaardenhuis en het zwembad. Naast het zwembad staat een kilometragepaal, waarop staat dat het vanaf hier nog 1188 kilometer is naar Santiago de Compostela.
We klimmen naar de ‘vestingstad’ en komen bij de dorpskerk deze ‘bastide’ binnen. In de kerkzaal vinden we tegen de muur een wijwaterbak gemetseld, die de vorm heeft van een Jacobsschelp, zoals je ze wel vaker in kerken onderweg ziet.

We arriveren op het Place des Cornières van Castillonnès. Hier staat een 13e eeuws abtshuis, dat nu in gebruik is als VVV en als expositieruimte. Inmiddels is de zon gaan schijnen en begint de temperatuur aardig op te lopen. We steken het plein diagonaal over om onder de arcade bij café-restaurant Arcade koffie te drinken. Dat is een aanrader, want je zit hier mooi met het zicht op het eeuwenoude plein, de koffie is goed en royaal qua hoeveelheid èn het is hier gezellig druk. Na onze koffiepauze wandelen we langs de overdekte markthal op de hoek van dit plein. Enkele regionale handelaren verkopen hier hun streekproducten.

Vanaf het plein wandelen we de Grand Rue in. Vanuit de Grand Rue heb je nog een mooi uitzicht op de markhal en op Place des Cornières.
Via de D2 wandelen we Castillonnès uit.
Tegenover de begraafplaats van Castillonnès staat een wegwijzer van de GR654, die aangeeft dat we hier rechtsaf moeten om op de ‘Chemin de St. Jacques’ te blijven. Eerst door een woonwijk en later via een veldpad gaan we naar Grand-Castang. Hier wandelen we langs de Pruimenboomgaarden èn om de gebouwen van Grand-Castang heen.

Via asfaltwegen gaan we door La Casse, langs Paris (‘Paris Est’ staat er bij het huis) en langs Petit Paris. Dan komen we weer bij de rivier de Douyne. We pauzeren op de stenen brugmuren, om hier wat te eten en te drinken.
Het blijft de rest van de dag droog en de temperatuur is aangenaam. Na deze pauze klimmen we aan de overzijde van de Douyne omhoog naar de beboste heuvelkam en daar volgen we eerst naar het zuidoosten en verderop naar het zuiden een schitterend heuvelkampad van enkele kilometers lengte. Voorbij Mongrieu en vlak vóór Couly komt dit onverharde kampad uit op een asfaltweg.

We steken de asfaltweg over en gaan over een andere asfaltweg naar het gehucht Tourguy. Een hondje verwelkomt ons blaffend van verre, en hij komt in onze richting, maar als we hem plotseling te dicht naderen, rent hij bij ons weg en blijft op grotere afstand ons in de gaten houden.
Voorbij Tourguy nemen we een veldpad in de richting van Tourette. Dit pad tussen de akkers door is door veelvuldig gebruik met paarden over de volle breedte bijna vertrapt, dus het valt niet mee om hier zonder al te dikke kluiten onder de wandelschoenen en zonder glijpartijen dit veldpad te volgen.
Via dit pad komen we uit bij de dorpskerk van Tourette.
Via de asfaltweg verlaten we Tourette.
We wandelen van Tourette naar de hooggelegen watertoren van Lachau.
Dit is onze eindbestemming voor vandaag. Hier staat onze auto geparkeerd.

We rijden vervolgens met de auto naar Mandacou om onze fietsen daar weer vandaan te halen. Het is nu warm. De zon prikt en de temperatuur is nu 26 graden Celsius. De eerste helft van de wandeldag werd bepaald door de regen en de tweede helft van de dag door de zon. Omdat we vandaag dichtbij onze camping in Lougratte begonnen en arriveerden en de afstand van 20,5 kilometer ook vlot te bewandelen was, zijn we om 15.45 uur al betrekkelijk vroeg weer op onze camping. De zon schijnt nog lang vandaag, dus we hebben volop de tijd om onze waslijnen vol te hangen met alle natte kleren, regenkleding en de gele veiligheidshesjes, en om onze wandelschoenen van binnen en van buiten te drogen.
Na de warme maaltijd ligt alles al weer droog in de auto voor de nieuwe wandeldag van morgen.

Pelgrimeren van Bergerac naar Mandacou

Van Sint-Jacobiparochie naar Santiago de Compostela

Sentier vers Saint-Jacques-de-Compostelle; via Vézelay
Van Bergerac naar Mandacou
Donderdag 4 augustus 2011 – 26 km.
Dag 99: 2086 – 2112 km.

Omdat Durkje en ik gisteren de caravan hebben verplaatst van Saint-Astier naar Lougratte, begint deze pelgrimsdag op de municipal camping van Lougratte. Eerst rijden we de auto met de fietsen achterop vanaf de camping in Lougratte naar Mandacou. De auto laten we achter bij de dorpskerk van Mandacou. Daarna gaan we op de fiets naar Bergerac. Onze fietsen stallen we op Place de la Republique in het stadscentrum van Bergerac. Onze wandeling begint vandaag aan de voet van de toren van de Eglise Notre Dame, waar we eergisteren eindigden.
We wandelen de voetgangersstaat Grand’Rue in en zien dan aan het begin van deze promenade een kilometragebord staan, waarop staat dat het vanaf hier nog 1234 kilometer is naar Santiago de Compostela.

Op één van de twee terrassen van Place du Marché-Couvert kiezen we een zitplaats om hier een kop koffie te drinken. Op één gast na zijn beide terrassen leeg, maar als we even later vertrekken, zijn al veel tafels en stoelen bezet. Het is nog maar 9.30 uur; de stad komt zichtbaar weer tot leven. Vier mannen zijn bezig om een flinke lading kratten en fusten met allerlei dranken naar binnen te sjouwen. Het moet allemaal over ons terras naar de bovenverdieping van de brasserie, waar we zitten. De krachtpatsers zweten van top tot teen, want het is zo vroeg in de ochtend al behoorlijk warm, bij een nu nog nagenoeg onbewolkte lucht. Vanaf het terras zien we verderop aan het eind van de voetgangersstraat al de kerktoren van de Sint-Jacobskerk.

Na onze koffiepauze wandelen we dóór de Grand’Rue in de richting van deze kerk, die vroeger de verzamelplaats was voor pelgrims. We passeren eerst nog een bakkerswinkel, die naast alle andere soorten brood ook Sint-Jacobsbrood verkoopt.

De Sint-Jacobskerk staat aan de Sint-Jacobsstraat, ofwel de Rue St. Jacques.
De toegangsdeur van de kerk is helaas op slot en op de deur staat dat de kerk pas vanaf 14.30 uur geopend zal zijn. Dat is jammer, dus we gaan nu verder zonder deze pelgrimskerk te hebben bezichtigd. We lopen om de kerk heen en vinden aan de torenzijde het standbeeld van Cyrano de Bergerac.
In de kerktorenmuur zien we een kerkraam, met daarin – als we het goed hebben gezien – de figuur van Sint Jacobus. Het ware mooi geweest om dat kerkraam van binnenuit te kunnen bekijken, omdat je het dan naar het licht toe veel beter kunt bekijken, maar aangezien de kerk is gesloten, kan dat nu niet.

We gaan verder en steken het 14e-17e-eeuwse Place Pélicière over.
In de Rue des Mazeaux wandelen we even de verscholen binnenplaats van het Wijnhuis-Wijnmuseum binnen. Prachtig is het om ook dit oude stukje stad te bekijken.
Verderop passeren we de protestantse kerk van Bergerac en ervoor en erna diverse vakwerkhuizen. De stad is alleszins een bezoek waard, want in dit oude stadscentrum vind je op een beperkte oppervlakte vele eeuwen schilderachtige bouwhistorie.

Wandelend door de oude binnenstad komen we uiteindelijk uit aan de oever van de hier al brede rivier de Dordogne, die majestueus door deze stad stroomt.
We wandelen naar de oude brug, die hier over de Dordogne ligt.
Aan de overzijde van de brug kun je Bergerac mooi zien liggen; de kerktoren van de Notre Dame er hoog bovenuit stekend.
Aan de zuidzijde van de Dordogne ligt de buitenwijk La Madeleine. We bezoeken in La Madeleine de kerk. In de zuidmuur zien we een kerkraam met daarin de voorstelling van Petrus en Jacobus naast elkaar. Dat is mooi, want dan gaan we de stad Bergerac toch nog uit met het zicht op Saint Jacques.
Bijna een uur nadat we vanaf het terras vertrokken, wandelen we de stad Bergerac uit.

Na het kerkhof van La Beylive steken we de rondweg van Bergerac over. Voordat we dat doen, krijgen we als pelgrims nog een lesje ‘rondweg oversteken’. Vlak vóór de rotonde in de rondweg hangt een houten bord, waarop goedbedoeld staat afgebeeld dat we als zwaarbepakte pelgrims vooral via het zebrapad de rondweg bij de rotonde moeten oversteken.
Na de D13 en de C204 gaan we klimmend over een veldpad tussen de wijngaarden van de Bergerac, in de richting van Monbazillac. Halverwege verkrijgen we achteromkijkend een schitterend uitzicht over de stad Bergerac in het dal achter ons.

Bijna boven aangekomen, passeren we het wijn-Château Péroudier.
Na nog een eind verder klimmen, lopen we langs de vestingmuren van het 16e-eeuwse kasteel van Monbazillac. Getuige het aantal auto’s op het parkeerterrein binnen de kasteelmuren is het hier nu al een drukte van belang. De beroemde wijngaard van Château Monbazillac is zo’n duizend jaar geleden al gesticht door monniken. Men heeft hier dus een lange traditie van druiventeelt en wijnproductie.
Voorbij het kasteel bezichtigen we de dorpskerk van Monbazillac en daarna lopen we het dorp uit.

Via een asfaltweg en een veldpad komen we in Combet.
Daarna volgt een mooi en hooggelegen hellingpad langs Le Petit-Malfourat en dan komen we aan in het gehucht Bernasse. Jonge druivenstruiken staan hier nog kwetsbaar langs het pad.
We hebben al ruim elf kilometer aaneen gelopen, dus het wordt zo langzamerhand tijd om een rustpauze te nemen. Op de plaats waar we via een veldweg tussen de wijngaarden door een grote bocht moeten afsnijden van de D107 vinden we een hoge boerenwagen onder een aantal hoge bomen in de schaduw. Een mooie plek om gezeten op die wagen te pauzeren om wat te eten en te drinken. We hebben ondertussen een prachtig uitzicht over de wijngaarden om ons heen.

Over een smal bospad gaan we weer terug naar de D107. We passeren Les Bordarias. Voorbij Les Bordarias volgt een mooi veldpad tussen zonnebloemenvelden door.
Tussen het veldpad en de zonnebloemen staan veel andere planten, waaronder ook bloeiende korenbloemen.
Het veldpad gaat over in een bospad en komt uit nabij het 16e-17e-eeuwse kasteel van Bridoire.
We wandelen even later door het gehucht Les Costes.
Verderop passeren we eerst de molen van Les Gendris en even later de plaats Les Gendris ook.
Voorbij Les Gendris lopen we door Le Petit-Pey.
Vrij snel daarna volgen vlak achter elkaar de passages door de gehuchten Les Rhodes en Le Pigeard.

Voorbij Le Pigeard volgt een klimmend en een dalend veldpad. Na de afdaling in het dal, steken we een asfaltweg over en dan klimmen we over een veldpad naar La Verdure. Voorbij La Verdure gaat het veldpad verder.
In het volgende dal aangekomen, zien we oplopend rondom allemaal akkers. We gaan te midden van al die landbouwpercelen linksaf, in zuidoostelijke richting.
Na een klim over een breed veldpad komen we voorbij het gehucht Les Naudoux weer op een asfaltweg. Verderop passeren we het gehucht Cigale. Ook hier weer veel uitgebloeide zonnebloemen op de akkers.

Via een karrenweg en een asfaltweg dalen we af naar de beek Courbarieux, die we oversteken. Vanaf hier is het nog drie kilometer op onze 26 kilometer lange dagtocht van vandaag. Voorbij deze beek gaat het verder over een mooi breed bospad door het bosperceel La Grand-Font. Aan de overzijde van een asfaltweg volgt een onverharde weg naar Pépinié. De laatste afdaling over asfalt brengt ons eerst in Les Boulbennes, dat we passeren.
Een klein eindje verder arriveren we in Mandacou, onze bestemming voor vandaag.
Door dit idyllische en stille dorpje wandelen we naar de kerk met haar klokgevel.
Naast de kerk staat onze auto geheel in de schaduw van de oude, karakteristieke dorpskerk.

We rijden met de auto naar Bergerac en halen onze fietsen weer uit het stadscentrum vandaan. Daarna rijden we terug naar de gemeentecamping in Lougratte. Het was vandaag een warme wandeldag, eerst vrijwel onbewolkt, later wat meer bewolking en af en toe een briesje welkome frisse wind. Een hele mooie wandeldag langs schitterende wegen, paden, gehuchten, dorpjes en langs de route volop fruit, zoals: appels, pruimen, bramen en druiven.

Pelgrimeren van Montagnac-la-Crempse naar Bergerac

Van Sint-Jacobiparochie naar Santiago de Compostela

Sentier vers Saint-Jacques-de-Compostelle; via Vézelay
Van Montagnac-la-Crempse naar Bergerac
Dinsdag 2 augustus 2011 – 21 km.
Dag 98: 2065 – 2086 km.

Vanmorgen brengen Durkje en ik eerst de auto van de camping in Saint-Astier naar Bergerac. De auto parkeren we in het centrum van Bergerac en dan gaan we op de fiets naar Montagnac-la-Crempse, het dorpje waar we gisteren onze wandeling stopten. Onderweg langs de N21 schuilen we voor een onweersbui. Om 10.30 uur vertrekken we voor een wandeling van 21 kilometer naar de stad Bergerac.

Tegenover de dorpskerk van Montagnac-la-Crempse gaan we het dal in. We lopen over een onverhard pad onder de huizen en tuinen van het dorp door. Op de splitsing waar we het dorp achter ons laten, staat een kruis in het veld.
Achter het kruis liggen flessen bronwater. Aan het kruis hangt een heel klein houten kruisje, gemaakt van twee takjes die met een touwtje op elkaar zijn verbonden. Op het voetstuk van het veldkruis is een blauw bordje geschroefd, met daarop de tekst: ‘Chemin de Compostelle’, ofwel: de Weg naar Santiago de Compostela. Twee Jacobsschelpen staan er passend bij afgedrukt.

We volgen het veldpad voorbij het veldkruis en komen na een klim in Leygonie, op het landgoed van het kasteel van Leygonie. Als we langs het kasteel zullen lopen, roept een man ons van ver aan met de mededeling dat het pelgrimspad niet vlak langs het kasteel loopt, maar met een iets ruimere bocht van ongeveer 20 meter verderop om het kasteel heen gaat. We volgen zijn aanwijzing en lopen zo rond en voorbij dit 18e-eeuwse riddergebouw met haar omliggende statige woningen.

Voorbij de splitsing van Les Bitarelles komen we over een asfaltweg door een bosgebied. Vlak vóór ons stopt een auto in de berm. Een oudere vrouw stapt uit om in de naast de weg liggende Kastanjeboomgaard de irrigatie te regelen tijdens deze warme dagen. We spreken even met haar bij haar auto en dan wenst ze ons ten afscheid een goede voortzetting van onze pelgrimsreis. We gaan verder en komen dan vóórin het dorpje Saint-Julien-de-Crempse. Bij het eerste huis rent een hond luid blaffend op ons af. Een man komt naar buiten gelopen om de hond terug te roepen. Hij houdt de hond bij zich in de tuin, zodat wij ongehinderd door kunnen lopen naar de hoek ter hoogte van de dorpskerk met klokkengevel, waar wij over een karrenpad de velden in gaan.

We lopen door naar het schilderachtige dorpje La Sudrie. Ongeveer de helft van de woningen is onbewoonbaar en staat leeg, de andere helft lijkt bewoond, maar bewoners zien we nergens.
Tussen La Sudrie en La Croix de Menaud passeren we op een hoekperceel lange stroken aardbeiplanten met veel rijpe, rode aardbeien.
Een klein eindje verder lopen we La Croix de Menaud binnen. Tegen de gevel van de eerste boerderij die we passeren , staat een bord met daarop de vermelding dat hier aardbeien te koop zijn. De erfhond blijft rustig tegen de boerderijgevel liggen als we hem passeren.

Daarna volgen enkele verharde en onverharde wegen, waaronder een mooi veldpad langs enkele laaggelegen vijvers.
In een lange klim over een veldpad komen we aan in het gehucht Breuilh; een boven op de heuvel liggende grote boerenhoeve.
Tegenover de boerderij gaan we over een dalend veldpad naar een bosperceel. Hier gaan we verder over een oud, diep uitgesleten bospad, buitengewoon mooi en waardevol om zo in stand te houden.

Beneden aangekomen, lopen we over de asfaltweg naar het dorp Maurens.
Op een bankje in de schaduw van de dorpskerk pauzeren we voor het eerst vandaag. In de tuin tegenover ligt een hond, die eenmaal blaft als we gaan zitten. Daarna ligt hij in de volle zon te hijgen, met de bek wijd open en de tong een eind naar buiten hangend. Het is een hete dag vandaag. Het is drukkend en de temperatuur loopt vandaag op tot 32 graden Celsius. Schaduwrijke pauzeplekken en wandelpaden met veel schaduw zijn ons dus bijzonder welkom vandaag. Aan de andere zijde van de kerk vinden we een kruidenierswinkel en een café. Op de deur staat dat ze beide sluiten om 13.00 uur. Het is nu 12.45 uur, maar beide zijn nú al gesloten. We kunnen dus geen nieuwe flesjes drinken kopen en een kop koffie in het plaatselijke café zit er dus ook niet in vandaag. Voorbij Maurens dalen we af en gaan we verder over een smal bospad door een komdal.

Verderop volgt een kilometers lang en breed wit stenig bospad. We lopen vol op de zon en er komt ogenschijnlijk geen eind aan dit pad. Geen zuchtje wind, dus onze eigen temperatuur loopt ook behoorlijk op. We drinken onderweg regelmatig om ons vocht goed op peil te houden. Waar het ellenlange bospad stopt, gaan we verder over eveneens warm asfalt in de richting van Pinceguerre. Daar gaan we tussen twee woningen door, langs een kooi met een aantal verschillende vogelsoorten, waaronder kippen, ganzen en enkele lawaaierige parelhoenders.

Het beschutte smalle bospad achter de huizen langs, door delen open veld en door kleine percelen bos is een aangename verpozing na het lange bospad van hiervóór. Voorbij het laatste bosperceel komen we weer in het veld aan. Hier liggen enkele wijngaarden, percelen met jonge aanplant en percelen met oude druivenstruiken.
Onderaan de oude druivenstruiken hangen grote en kleine druiventrossen.
We zijn nu overduidelijk gearriveerd in de wijnvelden van Bergerac, bekend om haar goede wijnen. Hier rijpen op dit moment de royale druiventrossen, die ons over geruime tijd de Bergerac-wijnen zullen leveren.

We komen door het gehucht La Curguétie.
Voorbij Curguétie lopen we wederom langs de wijngaarden met overdadig rijpe druiventrossen.
Via een asfaltweg komen we door het gehucht Grand-Jaure.

Daar volgen we enkele kilometers de kaarsrechte asfaltweg van Grand-Jaure, via Jaure-Haut tot aan de kruising met de N21, de weg van Perigueux naar Bergerac. Deze rechte asfaltweg die we bewandelen is de geasfalteerde verschijningsvorm van de voorheen oude Romeinse weg van Vilamblard naar Bergerac. Het is een saai stuk asfalt, met hier en daar mooie uitzichten over het dal waar Bergerac in ligt, en bovenal erg warm om te bewandelen. Vlak vóór de N21 slaan we af in zuidelijke richting, in de richting van Podestat en Bergerac. Vrij snel verlaten we deze binnenweg en gaan we verder door het betrekkelijk nieuwe stadspark dat hier is aangelegd. Er staan veel bloemen langs de witte parkgrindpaden. Overal om ons heen zijn bomen geplant, heel veel verschillende soorten; waardoor het wel een arboretum lijkt. Verderop is een recreatieplas aangelegd, waar vandaag door dagjestoeristen dankbaar gebruik van wordt gemaakt.

Het betrekkelijk jonge park biedt nog weinig beschutting tegen de felle zon. Nabij het beekje de Caudeau vinden we onder enkele oude bomen een bankje in de schaduw om aangenaam te verpozen, te rusten, te eten en vooral te drinken. Verderop steken we tweemaal de Caudeau over en dan arriveren we in een buitenwijk van Bergerac.

In een nagenoeg rechte lijn wandelen we vanuit de buitenwijk rechtstreeks naar de Eglise Notre-Dame, de imposant grote stadskerk midden in het centrum van Bergerac.
We gaan naar binnen om deze kerk te bezichtigen.
Deze hoge stadskerk heeft in de zijbeuk een kapel met daarin een oorlogsmonument voor de in de Eerste Wereldoorlog gesneuvelde Fransen uit deze streek, en verder onder andere een immens kleed achter het kerkorgel, en bijzonder mooie glas-in-lood-kerkramen.

Naast het grote koor van de kerk, zien we een deur open staan naar een kleine werkkamer. Hier staan allemaal schakelkasten van de kerk. Er is een keukentje en in het midden staat een kleine houten tafel, waaraan een man schrijfwerk verricht. We vragen hem of hij ons een kerkstempel kan geven in onze pelgrimspassen. Zonder aarzelen grijpt de man naar het stempel en stempelkussen in een la en zet zichtbaar bedreven twee grote stempels van de kerk in onze beide credentials. De datum vandaag schrijft hij erbij, zoals dat te doen gebruikelijk is.
We bedanken de man voor deze mooie herinnering aan het feit dat we deze Sint-Jacobsparochiekerk hebben bezocht.

Nadat we de kerk van binnen en van buiten goed hebben bekeken,wandelen we terug naar onze auto,die we vanmorgen iets verderop parkeerden. Met de auto halen we daarna onze fietsen weer op uit Montagnac-la-Crempse en tenslotte rijden we terug naar onze camping in Saint-Astier. We hebben nu weer vijf dagen aaneen gewandeld en zullen morgen de caravan vier dagtochten verderop brengen, om vandaar uit vanaf overmorgen onze pelgrimstocht verder voort te zetten.

Pelgrimeren van Saint-Astier naar Montagnac-la-Crempse

Van Sint-Jacobiparochie naar Santiago de Compostela

Sentier vers Saint-Jacques-de-Compostelle; via Vézelay
Van Saint-Astier naar Montagnac-la-Crempse
Maandag 1 augustus 2011 – 23 km.
Dag 97: 2042 – 2065 km.

Vroeg in de ochtend brengen we de auto van de camping in Saint-Astier naar Montagnac-la-Crempse. De auto parkeren we tegenover de dorpskerk en dan gaan we op de fiets terug naar de camping. Daar arriveren we om 10.30 uur, na anderhalf uur fietsen. De Belgische pelgrim Arn Verhoye staat dan bij de campingingang net klaar om te vertrekken.
Arn wil eerst nog een pelgrimsstempel halen in de kerk van Saint-Astier. We nemen afscheid van Arn en dan drinken Durkje en ik eerst een kop koffie bij onze caravan.

Om 11.15 uur vertrekken ook wij vanaf de camping.
Als we vanaf de camping de brug over de Isle passeren, zien we Arn nog vanuit het stadscentrum van Saint-Astier over de brug lopen. Hij is dus ook gereed voor de dagtocht. Arn wil vandaag tot aan Vilamblard lopen. Wij lopen nog 6 kilometer verder, namelijk naar Montagnac-la-Crempse. Het weer is wederom uitstekend, onze eerste onbewolkte dag. De temperatuur loopt vandaag op tot 30 graden Celsius. Binnen de bebouwde kom gaan we eerst onder de spoorlijn door en dan passeren we in Le Pontet het kasteel van Saint-Astier.
Even later wandelen we Saint-Astier uit.

Vervolgens passeren we Les Quatre Routes.
Daarna steken we de N83 over en gaan we onder de A89 door. Aan de andere zijde van de autosnelweg gaan we rechtsaf naar La Mouline.
We klimmen bij de steile helling op en verkrijgen achter ons een mooi uitzicht over Saint-Astier in het dal van de rivier de Isle.
Hoger tegen de helling arriveren we in het gehucht Blanquine.
Hier in Blanquine staan enkele nieuwe woningen, maar we komen ook voorbij een verlaten bouwval. Naast deze onbewoonbare woning staat nog een oude waterput. De putopening is met gaas veiligheidshalve afgesloten.

Verderop komen we door het gehucht Leybarterie. Zoals op zoveel erven in deze streek staat ook hier één van de woonerven vol met allerlei rommel, schots en scheef, her en der verspreid, een rommelig geheel.
Hier houdt de bewoning op. De asfaltweg gaat over in een stenige bosweg. Aan de andere zijde van het bos gaat dit stenige pad weer over in een asfaltweg. Voorbij het eerstvolgende kruispunt verlaten we de asfaltweg en komen we op een fantastisch hellingpad, uitgesleten door jarenlang gebruik door wandelaars. Dit pad ligt ten westen van Puycheferel.
Op het hoogste punt, in het open veld bovenop de heuvel, hebben we een schitterend panoramisch uitzicht over het dal van de Vern.

We dalen af via een stenige weg en zien in het dal vóór ons Grignols liggen.
We kruisen de D44, steken via de Ponts Rouges het riviertje de Vern over en wandelen Grignols binnen.
Grignols heeft een compact centrum rondom een plein, met rond het plein onder andere het postkantoor, een kapper, een herberg en de Mairie.
Via een smalle doorgang tussen en achter enkele woningen krijgen we een flinke klim over een smalle weg naar de heuveltop. Op deze heuvel ligt het gerestaureerde kasteel van Grignols. Het kasteel is vanaf de 13e eeuw gebouwd en torent hoog uit boven het dal van de Vern.
Op deze hoogte verlaten we Grignols. Een oude, zwaar beschadigde asfaltweg leidt ons naar het gehucht Les Poulichoux. In de tuin bij een huis zitten een vrouw en een jongen. We vragen hen twee van onze inmiddels lege flessen met water te vullen. Van de vriendelijke vrouw krijgen we de flessen met water gevuld terug, dus we kunnen weer met voldoende drinken verder.

Verderop verlaten we de asfaltweg, om een openbare bosweg in te slaan door het Bos van Les Eyssards. Diep in het bos pauzeren we bij een boshuisje, dat waarschijnlijk incidenteel als recreatiehuisje wordt gebruikt. Vóór het houten huisje staat een oud bankje. Op het bankje liggen veel kleine keuteltjes, maar we hebben geen idee waar die van zijn. We vinden een zitplaats tegen de gevel van het huisje en beginnen ons brood te eten. Op een gegeven moment komt er steeds een grote en een kleine vleermuis rakelings voorbij vliegen. Bij nader inzien blijkt nu dat boven ons een gat in de dakisolatie zit en dat de vleermuis daar een holletje heeft. De keuteltjes onder dat gat zijn dus van de vleermuis en haar jong(en). Omdat de vleermuizen steeds schijnaanvallend voorbij vliegen, verlaten we deze plek en gaan we verder. We wandelen voorbij het bos over een mooi veldpad naar beneden, het dal van de rivier de Jaure in.

Rechts van ons passeren we een groot veld met zonnebloemen. Er zijn grote, lege gaten gevallen tussen de zonnebloemen, dus bijzonder hoog zal de opbrengst voor de boer niet zijn, maar sommige zonnebloemen zijn manshoog en hebben grote bloemen met veel zonnebloempitten.
Verderop passeren we Le Moulin-Neuf. Daarna volgen we de D107 en een bospad, waarbij we een beekje oversteken. We lopen voorbij de begraafplaats en om de hoek van het gemeentehuis van Jaures. Vanaf deze hoge plek vóór het gemeentehuis zien we verderop iets lager het kasteel van Jaures liggen.
Naast het gemeentehuis van Jaures gaan we steil omhoog via een smal bospad. We komen uit in het gehucht La Réfrairie. Door een groep jachthonden in een kennel bij één van de eerste huizen worden we met veel geblaf enthousiast welkom geheten in dit plaatsje.

Daarna volgen veldwegen en bospaden en asfaltwegen. In het bos passeren we een opvallend open stuk. Hier groeit heidevegetatie, die we in deze streek de afgelopen week nog niet eerder hebben gezien.
Op een gegeven moment moeten we verder over een oude Romeinse weg. Dat betekent doorgaans – en zo ook hier - een brede, met stenen geplaveide weg, veelal lange rechte trajecten, heuvel op en heuvel af. Na een eind Romeinse weg moeten we een asfaltweg oversteken. Aan de overzijde langs de Romeinse weg staat een grote vrachtwagen met een aanhanger. Boven op de laadbak zit de chauffeur op een kraan, waarmee hij grote bundels boomstammen vanaf een stapel kaphout grijpt en op de wagen legt. De boomstammen steken links en rechts uit, maar dat fatsoeneert de chauffeur door de grijper links en rechts tegen de boomstammen te duwen. De chauffeur vraagt waar we vandaan komen en wenst ons een goede reis.

Wij gaan verder over de kilometerslange witte Romeinse weg. Verderop komen we op een open plek in het bos langs een bosvijver. Twee oudere dames zitten met twee hondjes bij de vijver in de schaduw van de enkele bomen langs de vijver. Het water van de vijver is blauwgroen en in de vijver drijven enkele grote groepen waterlelies met grote paarse en roze bloemen boven het groene blad. Het is een sprookjesachtig gezicht.
We volgen deze Romeinse weg drie kilometer, door de bossen van Barrière, van Les Bertaudies en La Grande Forêt. Deze oude route leidt ons naar Vilamblard. De eerste woning die we voorbijkomen, is een versterkte boerenhoeve.

Iets verderop zien we in het dal de plaats Vilamblard liggen.
We komen de plaats binnen bij het gemeentehuis. Tegenover het gemeentehuis staat een opvallend oorlogsmonument ter nagedachtenis aan de inwoners van dit dorp, die sneuvelden in de Eerste Wereldoorlog.
We pauzeren in een parkje tegenover dit monument. Daarna kopen we bij de plaatselijke kruidenier nieuwe flesjes drinken, zodat we weer met een volledige bepakking van drinken verder kunnen. Het is bijzonder warm, dus we drinken veel en dan is het gewenst om zoveel mogelijk bij elke winkel die je onderweg passeert je drinkvoorraad weer aan te vullen. Aan de overzijde van de dorpsstraat is een kapperszaak. Buiten hangt een grote hoeveelheid roestige scharen aan ijzeren draden. Kennelijk zijn dit gebruikte scharen van jaren her.

Enkele panden verder staat het magazijn van een winkel open. Het lijkt een rommelig geheel, maar de winkelier zal er de weg wellicht goed kennen om desgewenst te vinden wat hij zoekt.
Daarna passeren we de markthal naast het voormalige kasteel. Toen we hier vanmorgen vroeg met de auto passeerden, waren markhandelaren bezig hun marktwaar uit te stallen. Nu is alles en iedereen vertrokken.
Naast de markthal staat een imposant grote ruïne van het voormalige kasteel van Vilamblard. Met enkele ijzeren profielen worden de oude muren overeind gehouden. Van de oorspronkelijke pracht en praal is weinig overgebleven.
Ter hoogte van het kasteel verlaten we de bebouwde kom, bij de opvallende ‘Bastide du Roy’.

We steken het dal van de Roy over en gaan bij La France verder op de oude Romeinse weg. Hier is de weg echter geasfalteerd, althans het eerste deel, ter hoogte van Le-Moulin-de-Galaye en tot La Rebière. We gaan over een hoog hellingpad langs het dal van Le Brésil. Een grote villa ligt verderop, aan de overzijde van het dal, tegen de heuvel aan de andere zijde van de verkeersweg die door het dal loopt.
Daarna dalen we af in het dal van de rivier de Crempse. We komen langs een kleine vijver. Er staat een klein houten huisje bij de vijver. Het draagt de naam Le Colorado. In deze vijver zwemmen tientallen karpers. Als we stukken brood in het water gooien, vechten de karpers om allemaal een stukje te pakken te krijgen. Zo te zien zijn het zeker wel honderd karpers. Het is een behoorlijk spektakel om zoveel karpers te zien vechten om een paar stukken brood.

We steken de D38 over, volgen de D107 voorbij een andere, veel grotere vijver, die wordt gevoed door de Crempse. Grote karpers en grote scholen kleine visjes zwemmen in deze grote vijver. We komen door het gehucht Maison-Basse.
In Maison-Basse gaan we een veldpad op en dan volgen we het dal. We lopen langs Petit-Bosc en komen uit bij de molen van La Poude.
We volgen nu de D38 tot Les Perrières.

Hier verlaten we de weg om via een veldpad ons laatste traject van vandaag te wandelen. Dit schitterende dalpad voert ons naar onze bestemming voor vandaag: Montagnac-la-Crempse.
Bij dit dorp klimmen we naar de hoofdstraat. Hier staat de oude dorpskerk, opengesteld, zoals zoveel Franse kerken.
We bezichtigen de kerk en gaan dan weer naar buiten, waar onze auto tegenover de kerk staat.

Met de auto rijden we tenslotte weer terug naar Saint-Astier. We hebben vandaag 23 kilometer gewandeld.

Pelgrimeren van Chancelade naar Saint-Astier

Van Sint-Jacobiparochie naar Santiago de Compostela

Sentier vers Saint-Jacques-de-Compostelle; via Vézelay
Van Chancelade naar Saint-Astier
Zondag 31 juli 2011 – 23 km.
Dag 96: 2019 – 2042 km.

Om 6.30 uur worden Durkje en ik wakker van de wekker. De caravan is direct in rep en roer: Durkje is vandaag jarig! Fan herte lokwinske mei dyn jierdei en soenens en folle lok en Seine tawinske yn it nije libbensjier! Na wassen en aankleden volgt in de caravan het gebruikelijke klaarmaken van het ontbijt en van het lunchpakket voor de komende wandeling. Vanaf de camping in Saint-Astier fietsen we eerst naar Chancelade. Onderweg kopen we in Chancelade bij de warme bakker twee heerlijke rozijnenbroodjes, met de bedoeling om die straks bij het café tegenover het gemeentehuis van Chancelade op te eten bij een kop koffie. Maar helaas, het dorpscafé is - in tegenstelling tot de gepubliceerde openingstijden - gesloten. We moeten vandaag dus zonder koffie op stap.

Maar die lekkere rozijnbroodjes, die we als alternatief verjaardagsgebak hadden gekocht, eten we nu wel eerst op.
We hebben de fietsen geparkeerd op het grasveld tegenover het gemeentehuis en zittend in de genoeglijke vroege zondagochtendzon - op de brede trappen van dit moderne gemeentehuis - genieten we van dit alternatieve verjaardagsgebakje. Een literfles ijsthee erbij en zo bouwen we hier in den vreemde ons eigen verjaardagsfeestje voor Durkje.

Het is weer schitterend weer. Evenals gisteren is de temperatuur vroeg in de ochtend al rond de 15 graden Celsius en die loopt gedurende onze wandeldag vandaag op tot zo’n 28 graden Celsius. Het is wederom licht bewolkt en prachtig zomerweer. Om 9.00 uur staan we klaar om onze dagwandeling te beginnen. We beginnen bij het mooie kunstwerk van Chancelade. In een grote platte houten bak heeft men hier scheef oplopend de bak vol vlak verlijmde naturel houtsnippers gelegd. Daar bovenop is een figuur van gebouwen (plaatselijke monumenten) gelegd en ook de plaatsnaam ‘Chancelade’ is in oplegletters in diverse kleuren geschilderde houtsnippers opgelegd. Een mooi gezicht is dit, zo in de volle ochtendzon.

We klimmen door Chancelade naar de westzijde. Daarbij passeren we een voor ons tot nu toe nog onbekende markeringssticker van de Saint-Jacques-route, van de streek ‘Limousin-Perigord’. Deze sticker zien we vandaag regelmatig hangen op plekken waar de route is bewegwijzerd voor pelgrims van de GR654.
In de buitenwijk van Chancelade zien we een kastje op een paal staan bij een woning langs de weg. Op het houten kastje staat bij een ingebrande Jacobsschelp ‘La Halte Gourmande du Pèlerin’ en daaronder staat de uitnodiging om dit kastje te openen.

In het pelgrimskastje vinden we een waxinelichtje op een Jacobsschelp, een glazen potje met noten, een gastenboek met pen en een welkomstbriefje.
In het gastenboek zien we veel pagina’s volgeschreven korte teksten van pelgrims, die hier dit kastje passeerden en die de moeite namen om iets in het gastenboek te schrijven. Ook wij laten hier een geschreven teken achter, zodat volgende pelgrims ook onze bijdrage daarin
kunnen zien.

We verlaten Chancelade en komen door Les Michelots.
Het volgende dorp waar we doorheen komen, is Terassonie.
Daarna volgt het gehucht Haut Lespinasse.
We gaan verder door het bos. Als we het bos uit komen, arriveren we in Les Andrivaux.
Bij de grote vijver in het dorp zitten twee mannen te vissen. Tegenover deze vijver staat een groot huis. Het is de Commanderie van de Tempeliers van Les Andrivaux.

Op de bovenverdieping staat een man bij een open raam. Hij groet ons als we om het gebouw heen lopen. Als we achter het grote huis zijn, komt de man met een hond naar buiten. De man draagt een rugzak met daarin zijn beademingsapparaat. Hij begroet ons en vertelt dat hier een overnachtingsmogelijkheid voor pelgrims in het huis is. Afgelopen nacht overnachtte hier een Belgische pelgrims. Op het uithangbord van deze Commanderie staan drie Jacobsschelpen, ten teken dat pelgrims hier welkom zijn. De man wenst ons een goede voortzetting van onze tocht.

We maken een flinke klim door het gehucht en gaan hogerop verder door een bosperceel. De routebeschrijving geeft aan dat we voortdurend de linkerbaan aan moeten houden, maar als we dat doen, blijkt dat we niet bij Beaulieu, maar bij La Roche op de D710 uit komen. We hadden dus eigenlijk een étage hoger de heuvelhelling moeten bewandelen. Met behulp van een Britse wandelende dame en twee Franse wandelende dames met een gps-apparaat, vervolgen we onze route en beneden aangekomen, blijkt dat we vrij eenvoudig langs de D710 van La Roche naar Beaulieu kunnen lopen, waardoor we al na enkele minuten vanaf Beaulieu weer op de juiste route lopen. We vervolgen onze route langdurig door het bos. Ondertussen belt Baukje om Durkje te feliciteren met haar verjaardag. Als we vanuit het bos vanaf Chez-Charron weer in het open veld komen, verkrijgen we een prachtig uitzicht over het dal vóór ons.

Over een asfaltweg tussen de velden door dalen we af naar het gehucht La Font de l’Auche.
Aan het eind van dit gehucht vinden we in een grote tuin bij een woning een bankje en enkele losse tuinstoelen. We pauzeren op het bankje, heerlijk in de schaduw. Na daar gegeten en gedronken te hebben, gaan we een mooi oud wandelpad op: het Merovingisch pad, over een lengte van ongeveer één kilometer.
Als we aan het eind van dit pad linksaf de heuvel op gaan over een landweg, belt Jan Wijbe om Durkje te feliciteren.

We gaan naar Les Granges en krijgen een mooi uitzicht over het dal van de rivier de Isle. Na Les Granges passeren we het gehucht Taboury. Voorbij Taboury volgt een stevige klim om de bult van Benivau te beklimmen. Daarna komen we door het gehucht Jalabrou. Ook vanaf deze hoogte hebben we een prachtig uitzicht over de dalen aan beide zijden van de weg.
We gaan linksaf 50 meter over de Route du Mas en dan direct linksaf over een stenig pad naar beneden, dat ons voert naar Levrault.
Bij de bijna drooggevallen vijver van Levrault, nemen we de asfaltweg een stukje in zuidelijke richting, om al vrij snel weer het veld en het bos in te gaan, om de Jouy over te steken, om verder te lopen in de richting van de hooggelegen boerderij van Perpezat. Daarna passeren we Maison-Neuve. Na een kort bospad wandelen we door het gehucht Le Petit-Puy en direct daarna gaan we langs de D43 in de richting van Saint-Astier. Eerst passeren we het gehucht Monplaisir. Daarna pauzeren we voor brood en drinken in een oud bushokje op de kruising van Tamarelle.

Bij Tamarelle nemen we een bospad naar beneden. Daar belt Pieter om Durkje te feliciteren.
Het bospad wordt een mooie brede boslaan, heerlijk beschut tegen de hete zon onder de bomen van de laan. Over de volle lengte van Tamarelle tot aan Saint-Astier lopen we continu dalend rechts van een groot militair oefenterrein, onderdeel van de Gendarmerie-school. Bij Courroies is te zien dat de militaire gebouwen in en tegen de oude kalkgroeves zijn gebouwd.
Deze brede bosbaan is een stuk oude Jacobsroute voor pelgrims, die uitkomt in Saint-Astier. We volgen het laatste stukje heuvelafwaarts van de D43 tot nabij de oever van de rivier de Isle. We volgen dan de doorgaande verkeersweg in de richting van Saint-Astier, parallel aan de Isle. Op een gegeven moment kunnen we tussen de bomen door en over de rivier de Isle heen, onze caravan zien staan op de camping Le Pontet.

We lopen door en komen in Saint-Astier aan de voet van de grote, hooggelegen kerk van Saint-Astier.
Nabij de kerk is in het stadscentrum een burchttoren, met daarin een Jacobsschelp gemetseld.
Tegenover de kerk lopen we tussen de huizen door naar de oever van de rivier de Isle. Links zien we de wateroverloop. In de luwte van die wateroverloop van Saint-Astier vissen twee kinderen in de rivier met een schepnetje.
Rechts van ons zien we de brug over de Isle.
We steken vanuit het centrum van Saint-Astier de brug boven de Isle over. Hoog achter ons torent de hoge kerktoren van de stadskerk boven de overige bebouwing.
Aan de overzijde van de brug gaan we linksaf om daar om 15.15 uur op onze camping Le Pontet te arriveren.

Vanaf de camping halen we met de auto onze fietsen weer op uit Chancelade. We hebben vandaag een afstand van 23 kilometer gewandeld. Later op de middag komt de Belgische pelgrim Arn Verhoye uit Brugge bij ons op de camping om achter onze caravan met zijn tentje te overnachten. Eergisteren ontmoetten wij hem al nabij het plaatsje Amenot. Ook hij wandelde vandaag van Chancelade naar Saint-Astier.

Pelgrimeren van La Chauterie naar Chancelade

Van Sint-Jacobiparochie naar Santiago de Compostela

Sentier vers Saint-Jacques-de-Compostelle; via Vézelay
Van La Chauterie naar Chancelade
Zaterdag 30 juli 2011 – 17,5 km.
Dag 95: 2001,5 – 2019 km.

Om 7.45 uur verlaten Durkje en ik vanmorgen de camping in Saint-Astier. We rijden eerst naar Chancelade, waar we de auto achterlaten. Dan fietsen we hier vandaan in vijf kwartier door naar La Chauterie, waar we gisteren zijn gestopt. De temperatuur is ongeveer 15 graden Celsius en die loopt gedurende onze wandeldag vandaag op tot zo’n 26 graden Celsius. Het is wederom licht bewolkt en prachtig zomerweer. Tegen 9.45 uur staan we bij onze langs de weg gestalde fietsen klaar om de dagwandeling te beginnen. We verlaten La Chauterie in zuidelijke richting en nemen een veldweg in westelijke richting. Langs het zonnebloemenveld staan veel korenbloemen in bloei.

Als we op de heuvelrug het bos verlaten, zien we verderop het kasteel van La Côte.
We dalen af naar het gehucht La Guibaudie.
We lopen langs de vallei, passeren het gehucht La Pacalie, steken de Veysonne over en klimmen dan over een asfaltweg in de richting van het kasteel van La Côte, boven op de heuvel.
We worden ingehaald door een groep van ongeveer 15 wielrenners, en even later door de volgauto van de fietsclub. Bij Le Puy Mas verruilen we het asfalt voor een onverhard veldpad.
Tussen de velden door en door het bos komen we daarna uit op het erf van een boerderij in La Courelie.
Voorbij La Courelie gaan we over een asfaltweg dalend en stijgend door het rivierdal van de Cluzeau. De weg gaat verderop met grote bochten omhoog en omlaag, maar wij kunnen over een stijgend en dalend bospad door het bos naar Bussac lopen.

Tegenover de Mairie – tevens dorpshuis – nemen we een rustpauze aan de voet van het koor van de oude dorpskerk van Bussac. Na wat gegeten en gedronken te hebben, steken we in Bussac het beekje over en dan volgt achter het dorpscafé van Le Picot een fikse klim over asfalt naar het veel hoger gelegen gehucht La Serve. Hier wordt momenteel een nieuwbouwwijk gebouwd.
We lopen door het bos over een brede en witte stenige weg naar het gehucht Puy Jean, waar we de D2 oversteken.
Nogmaals volgt een fikse klim, over asfalt naar het gehucht Tamisier.
Over een onverharde bosweg klimmen we door naar het gehucht La Lande.
Over achtereenvolgens asfalt, een veldpad en een asfaltweg arriveren we bij het kasteel van Les Landes.

Tot op dit moment hebben we met name over asfalt gelopen, maar daar komt vanaf hier verandering in. Tegenover het kasteel van Les Landes begint namelijk een prachtig bospad.
Vervolgens komen we bij de priorij van Merlande. Deze priorij is in de twaalfde eeuw hier in het bos van Feytaud gebouwd door de religieuzen van de abdij van Chancelade, op verzoek van de bisschop van Périgueux. De abdij kwam hier op de plek van een voormalige devotiefontein. De kloostergebouwen zijn al afgebroken, maar de voormalige parochiekerk en het huis van de prior staan er nog. Als we het terrein op gaan, zit om de hoek een wandelaar/pelgrim op een bankje te rusten. Hij oogt vriendelijk, maar een praatje zit er niet in. Wel bevestigt hij non-verbaal dat verderop de priorij is. We bekijken de twee priorijgebouwen en bezichtigen de 12e-eeuwse kapel.

Daarna pauzeren we vlakbij de andere wandelaar op een bankje. Ook nu reageert hij vriendelijk, maar hij spreekt daar niet bij. Na onze rustpauze groeten we hem en verlaten dit priorijterrein. Zijn rustpauze duurt langer; hij zit te lezen als we hem passeren.

Verderop volgen mooie beklimmingen en afdalingen over bospaden door het bos, over hellingpaden en deels over stukjes asfaltweg. We klimmen daarbij naar Fusielier en passeren ook Peychey. Na een stukje D2 gaan we weer het bos in. Een mooie afdalende route door het bos volgt dan in de richting van de abdij van Chancelade.
Na een korte pauze op het abdijterrein bezichtigen we de abdijkerk van deze Augustijnenabdij. Deze abdij is in het begin van de 12e eeuw gesticht door de kluizenaar Foucault, monnik van Cellefroin in de Charente. Direct naast de abdij ligt een plein. Aan de rand van dat plein treffen we een kilometragebord aan, waarop staat dat het vanaf hier nog 1306 kilometer is naar Santiago de Compostela.
Op dit plein staat ook de kapel van Saint Jean, die we eveneens bezichtigen.

Vanaf dit plein klimmen we nog een stukje door Chancelade, om verderop naast de Mairie aan te komen bij onze auto, die we hier vanmorgen parkeerden. We hebben vandaag 17,5 kilometer gewandeld. Het weer was heel mooi, maar door de hoge temperatuur, weinig wind en een beetje drukkende sfeer, was de afgelegde afstand vanwege het vele, lange en steile stijgen en afdalen genoeg. Het begin van de route viel wat tegen vanwege het vele asfalt, maar het tweede deel van deze dagroute maakte weer veel goed. Kortom, weer een geslaagde wandeldag.