Posts tonen met het label NNK. Alle posts tonen
Posts tonen met het label NNK. Alle posts tonen

donderdag 30 mei 2013

Kwaliteit & Accreditatie van Deeltijd-onderwijs


Donderdag 30 mei 2013
Presentatie van Henri Ponds in het Platform HBO van het NNK
















Aandacht voor Deeltijd & Duaal
Het Platform HBO van het Nederlands Netwerk voor Kwaliteitsmanagement (NNK) komt vandaag bijeen in het cursus- en vergadercentrum Domstad te Utrecht. We komen vandaag bijeen om te luisteren naar èn te spreken over het borgen van de kwaliteit van (verkorte) deeltijdse en duale onderwijsvormen in het Hoger Beroepsonderwijs (HBO).
Twee sprekers zijn uitgenodigd, om vandaag vanuit verschillende perspectieven een presentatie te verzorgen over dit onderwerp. Eerste spreker is Henri Ponds van de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO) en tweede spreekster is Lucie te Lintelo van de Hogeschool van Amsterdam.

Perspectief van de accreditatieorganisatie
De eerste spreker – Henri Ponds – is beleidsmedewerker van de NVAO. Zijn presentatie heeft als titel: ‘Borging van de kwaliteit van deeltijdse en duale varianten en maatwerktrajecten’.
 Henri Ponds spreekt onder ander over de volgende zaken:

  • De Inspectie van het Hoger Onderwijs (IvHO) en de NVAO werken complementair. Aan de hand van een aantal voorbeelden wordt verteld dat deze twee organisaties steeds meer met elkaar samenwerken, nu ook op basis van een nieuw convenant.
  • In het kader van de goede werking van het huidige accreditatiestelsel wil de NVAO toewerken naar (meer) systeembrede analyses, zoals bijvoorbeeld HO-Domeinstudies.
  • Stelling over de zogenoemde ‘formele benadering’: Als je de wet- en regelgeving goed implementeert, bevordert dat de kwaliteit en het behalen van de vereiste resultaten.
  • De beste onderbouwing van het eindoordeel over de kwaliteit van een opleiding verkrijg je bij de input-throughput-output-benadering.
  • Als deeltijdse en duale onderwijsprogramma’s even lang duren als het voltijdse curriculum, vraagt dat om een stevige verantwoording. Ook als aan de student individueel maatwerk wordt geleverd, zul je daarin - meer dan voorheen – moeten zorgen voor  transparantie. Laat in dat kader bijvoorbeeld zien hoe in het concurrency-model het werkplekleren bijdraagt aan het realiseren van de eindkwalificaties. Ook een pro-actieve rol van de opleidingsexamencommissie is hierin gewenst.
  • We moeten toe naar een betere borging van de 240 EC’s, van vrijstellingen en van de studielast op de werkplek. Gebruik daarbij beoordelingskaders, die zijn gerelateerd aan de voltijdse onderwijsvorm van die opleiding.
  • Dat moet allemaal navolgbaar zijn. Individueel maatwerk en/of leerwegonafhankelijk studeren vraagt om extra kwaliteitsborging.

Perspectief van een hogeschool-opleiding
De tweede spreekster – Lucie te Lintelo – is projectmanager-consultant bij de HvA. Haar presentatie heeft als titel: ‘De flexibele Deeltijd: Modulair met extra’s’.
Lucie te Lintelo spreekt onder ander over de volgende zaken:

  • De context van deeltijds onderwijs schetst ze aan de hand van marktontwikkelingen, met kwaliteitsaspecten en verwijzend naar de insteek van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, die een ‘leven lang leren’ stimuleert.
  • Ze gaat in haar presentatie uit van de doelgroep van de werkende student/cursist, die in het kader van een individueel loopbaanperspectief effectief en efficiënt onderwijs moet hebben, dat optimaal in balans is qua ‘leren – werken – leven’.
  • We moeten integraal denken over flexibiliteit bij de programmering van het deeltijdse onderwijs, dus rekening houden met onder andere beoogde kwalificaties, met behoeften van de werkenden, met organiseerbaarheid & betaalbaarheid en met de borging van het eindniveau.
  • Als de HvA voor wat betreft deeltijds onderwijs spreekt van ‘modulair met extra’s ‘, bedoelt men individuele leerroutes binnen een gestandaardiseerd aanbod. Elke onderwijsmodule zou een Taakgebied moeten dekken, waarmee het voor het werkveld herkenbaar is. Dus geen moduul ‘Statistiek’ aanbieden, maar bijvoorbeeld wel een moduul ‘Marktonderzoek’. Als zo’n door het werkveld (h)erkend moduul een geheel taakgebied dekt, kun je er ook een certificaat-uitreiking aan koppelen, dat dan weer een civiel effect heeft in dat werkveld.
  • Bij modulair onderwijs moet je onderwijsmodulen ontwerpen van een zodanige omvang, dat ze voldoende diepgang èn binding bieden. Werk bijvoorbeeld ook met verplichte delen èn met keuze-elementen. Samenhang tussen verschillende modulen kun je ook creëren door in de opeenvolgende modulen de studenten te laten werken aan generieke competenties, zoals 'methodisch denken' en 'resultaatgericht werken'. Je kunt binnen zulke modulen ook werken met ‘blended learning’ en met werkplekleren. Een ander ontwerpcriterium bij modulair onderwijs is dat je werkt met leerwegonafhankelijk toetsen, waarbij een beoordelingsmodel centraal staat, waarin de interne opleidingseisen èn de externe werkveldeisen elkaar aanvullen.
  • De borging van het te realiseren eindniveau van een opleiding zit in de één-op-één-relatie met de beoogde opleidingskwalificaties.

Vervolgtoezicht & Vervolgonderzoek
De Inspectie van het Hoger Onderwijs zal in het jaar 2014 vervolgonderzoek doen naar de kwaliteit van het deeltijds en duaal hoger onderwijs. Het inspectierapport ‘Goed Verkort’ van het jaar 2012, waarin met name het deeltijdse en het duale onderwijs onder de loep werd genomen, stelt dat bij de dertien toen door de inspectie onderzochte Nederlandse opleidingen onvoldoende werd voldaan aan de wettelijke kwaliteitswaarborgen, waardoor bij die opleidingen onvoldoende was gewaarborgd dat de beoogde eindkwalificaties in de volle breedte en op het gewenste niveau werden gerealiseerd.
De instellingen voor hoger onderwijs waarvan toen opleidingen werden onderzocht zullen te zijner tijd in het vervolgonderzoek van 2014 moeten aangeven hoe en dat ze hun toenmalige gebreken in hun verbetertrajecten hebben weggenomen. Ook andere opleidingen van andere hoger onderwijsinstellingen die in 2012 nog niet zijn onderzocht, zullen in het inspectieonderzoek van 2014 worden meegenomen.

donderdag 4 april 2013

Betrokkenheid van docenten bij kwaliteitszorg

Donderdag 4 april 2013
Jan Kleijnen vertelt over zijn promotieonderzoek



















NNK-platform HBO en MBO
Als leden van het Nederlands Netwerk voor Kwaliteitsmanagement (NNK) komen we vanmiddag bijeen in het ‘Cursus- en Vergadercentrum Domstad’ te Utrecht. Deze keer zijn er zowel vertegenwoordigers vanuit het HBO als van het MBO aanwezig.
De effectiviteit van de interne kwaliteitszorg van beide onderwijstypen staat in de Nederlandse samenleving regelmatig ter discussie, dus het werd door de NNK-organisatoren van deze netwerkbijeenkomst wenselijk geacht ook eens als MBO en HBO samen te komen rondom een thema dat beide onderwijstypen bezighoudt. 
Als thema voor deze bijeenkomst is gekozen voor: ‘Hoe betrek je docenten bij kwaliteitszorg in de slag om onderwijskwaliteit’. 

Sprekers
Paul Nieuwenhuis, de voorzitter van ons NNK-Platform HBO, opent de bijeenkomst en geeft dan het woord aan medeorganisator Ben van Schijndel, die de sprekers vanmiddag introduceert en de afzonderlijke delen van het programma aan elkaar verbindt.
  1. Eerste spreker vanmiddag is Jan Kleijnen, tot 2009 nog werkzaam als auditor bij Hogeschool Zuyd, en ook jarenlang lid van ons Landelijk Netwerk Kwaliteitszorg. Jan Kleijnen is na zijn vervroegde uittreding verder gegaan met zijn proefschrift, dat inmiddels klaar is, getiteld: ‘Internal quality management and organisational values in higher education; Conceptions and perceptions of teaching staff’. De presentatie van Kleijnen zal grotendeels gaan over de inhoud en de resultaten van zijn promotieonderzoek.
  2. Tweede spreker vandaag is Hilde Paalman, momenteel als docent-teamleider werkzaam bij de Opleiding tot Leraar Basisonderwijs van de Christelijke Hogeschool Ede (CHE). Aan haar presentatie werkt ook Annechien Verkerk mee, die teamhoofd is van de CHE-afdeling ‘Onderwijs en Kwaliteit’. 
Jan Kleijnen
De titel van zijn presentatie luidt: ‘Organisatiewaarden en kwaliteit; hoe betrek je docenten maximaal bij de kwaliteitszorg’. 
  • Kwaliteit wordt altijd vanuit een bepaald perspectief bekeken, bijvoorbeeld als een vanzelfsprekendheid, of voldoend aan standaarden, of als verbeteractiviteit. Bij kwaliteit kun je dan denken aan doelstellingen en aan de methoden om die gestelde doelen te bereiken. Je kunt daar naar kijken vanuit het perspectief van bijvoorbeeld studenten, docenten, werkveld, management en bestuur.
  • Kwaliteitszorg betekent systematisch werken.
  • Het is opvallend dat we in het HBO vaak de discussie voeren of kwaliteitszorg al dan niet zin heeft. Dat heeft te maken met de manier waarop we naar kwaliteitszorg kijken. Leg je bijvoorbeeld de nadruk op de negatieve kanten, zoals bureaucratie, controle, wantrouwen, autonomieverlies en het meetbare belangrijker maken dan het relevante? Of beschouw je kwaliteitszorg als positief, omdat het je bijvoorbeeld een externe oriëntatie biedt, of omdat je evaluaties die leiden tot reflectie positief waardeert, of omdat je het belang ziet van een toenemende betrokkenheid en invloed die allerlei stakeholders krijgen, zoals studenten en werkveldvertegenwoordigers.
  • Heeft kwaliteitszorg iets met je organisatiecultuur te maken? Belangrijk zijn de waarden van je organisatie; hebben die bij jouw opleiding bijvoorbeeld iets te maken met je zorg voor kwaliteit?
  • Geen enkel werkmodel is heilig. Als je in je eigen kwaliteitsmodel excelleert, moet je toch eens goed kijken waar je blinde vlekken zitten.
In een opdracht in subgroepen vergelijken we het Hoofdlijnenakkoord van het HBO met het Actieplan MBO ‘Focus op Vakmanschap’. In de plenaire terugkoppeling bespreken we of we meer of minder ruimte zien komen voor de professionals en voor hun professionele ruimte. En stellen deze beide documenten  lagere of hogere eisen aan de kwaliteit van het onderwijs? En wordt in instellingen en opleidingen in het MBO en in het HBO meer of minder gecontroleerd, en zullen we meer of minder moeten verantwoorden?
Jan Kleijnen zijn promotieonderzoek ging over Organisatiewaarden (welke, het belang en de uitvoering ervan), over Opvatting over Kwaliteit en over de Uitvoering van Kwaliteitszorg. Organisatiewaarden worden door opleidingen in het hoger onderwijs doorgaans moeilijk in de praktijk gebracht, zo bleek uit zijn onderzoek. Daarentegen is de wenselijkheid van ‘Human Relations Value’ overal dominant, blijkt uit Kleijnens onderzoek bij 18 HBO-opleidingen.

Docenten verbeteren
Voldoen aan standaarden en afleggen van verantwoording scoorde gering bij docenten, maar daar staat tegenover dat docenten het meeste oog hadden voor Versterken & Verbeteren van hun Onderwijs. Maar naarmate het Versterken en Verbeteren door docenten sterker werd gevoeld, kwam ook het voldoen aan standaarden en verantwoording sterker naar voren
Bij zijn onderzoeksgroep van 18 HBO-opleidingen waren de verschillen in kwaliteitsopvattingen tussen die opleidingen kleiner, dan de mate waarin zij voldoen aan de daaruit voortvloeiende kwaliteitszorgactiviteiten.
Effectieve HBO-opleidingen kun je – aldus Kleijnen - herkennen aan bijvoorbeeld hun analyseren en reflecteren, hun evalueren en verbeteren, effectief communiceren, het monitoren van hun verbeterprocessen, en aan duidelijkheid omtrent ieders verantwoordelijkheden.

  • Vurig pleit Jan Kleinen ervoor om pas nieuwe kwaliteitsmetingen en evaluaties te organiseren als de daaruit voortvloeiende verbeteracties van de voorgaande meting zijn afgerond, en als in beeld is of die acties al dan niet tot verbetering hebben geleid.
  • Ook wijst Kleinen ons erop dat een stafmedewerker van een HBO-opleiding goed moet kunnen coachen en dat hij/zij er voor op moet passen dat hij/zij niet de uitvoering van allerlei klussen op het gebied van kwaliteitszorg op zich neemt. Kortom, kwaliteitszorg is iets voor en van de docent.
Hilde Paalman & Annechien Verkerk
Na de pauze volgt een ander programmaonderdeel. Hilde Paalman gaat vóór in de zaal in gesprek met Annechien Verkerk. De presentatie van Hilde Paalman gaat over ‘Kwaliteitscultuur van de CHE; merkbaar versus meetbaar’.
In haar gesprek met Verkerk gaat Paalman nader in op onderwerpen zoals de kracht en de structuur van de CHE en of de kwaliteitscultuur van de CHE merkbaar en meetbaar is.
Daarna sluit Hilde Paalman af met de twee volgende praktijkvoorbeelden vanuit de CHE:

  1. Casus Afstudeernivo.  Men loopt bij de CHE bijvoorbeeld aan tegen de meetbaarheid van het afstudeernivo. Is het bijvoorbeeld zo dat op den duur de begeleidende en eerstbeoordelende docent geheel uit beeld verdwijnt ten gunste van een onafhankelijke beoordelaar uit de opleiding en uit het werkveld? En/of is bijvoorbeeld een derde beoordelaar wenselijk bij afstuderen? Verliezen we hiermee de student zelf niet uit het oog? 
  2. Casus Studie-uitval. Hier gaat het over de betrokkenheid van de studieloopbaanbegeleider bij het leerproces van de student. Is er sprake van een discrepantie tussen het enerzijds goed oriënteren, selecteren, doorverwijzen en uitvallen van de student, en anderzijds het behalen van de Prestatieafspraken? Immers, naarmate de selectie van studenten in de propedeuse (en in de hoofdfase) sterker wordt, gaan daarna de opleidingsrendementen naar beneden, waardoor de CHE over enige tijd niet aan haar Prestatieafspraken zal kunnen voldoen.
 Voor de student is de merkbaarheid van kwaliteit van belang;
Voor de opleidingsmanager is de meetbaarheid van kwaliteit van belang; 
En de docent? ….. Die zit daar tussen in.

donderdag 29 maart 2012

Kwaliteitscultuur en Human Resource Management

Donderdag 29 maart 2012 
Presentatie door Pas & Mellema van Fontys Hogeschool ICT















Onderwijskwaliteit door HRM
Er wordt ook in het hoger onderwijs veel gesproken over 'kwaliteitscultuur'. Het is bijvoorbeeld een centraal begrip geworden in de 'Instellingstoets Kwaliteitszorg' van de Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie (NVAO), de organisatie die ook de kwaliteit van het Nederlandse hoger onderwijs waarborgt. Maar wat is dan die kwaliteitscultuur van een goede opleiding?
Zeker is in ieder geval dat in een kwaliteitscultuur de docent van doorslaggevende betekenis is. Daarom zou bijvoorbeeld het Human Resource Management (HRM) van een hogeschool een kwaliteitsbepalende factor van betekenis moeten zijn. Je kunt je dan afvragen wat in dat verband dan de relatie is tussen Human Resource Management en Kwaliteitszorg.

Netwerkbijeenkomst
Hoe zou je dan in het hoger onderwijs de kwaliteit van je opleiding een groei-impuls kunnen geven door in te zetten op de kwaliteit van je docenten en van je overige hogeschoolmedewerkers?
Rondom deze vraagstelling zijn we vandaag als leden van het Platform HBO van het Nederlands Netwerk voor Kwaliteitsmanagement bijeen in Utrecht.
De sprekers die vandaag voorafgaand aan de plenaire discussieronden een presentatie verzorgen, zijn Tonnie Huibers van Avans Hogeschool en Adriaan Mellema & Robbert Pas van Fontys Hogescholen.
Deze netwerkbijeenkomst wordt geopend en geleid door onze netwerksecretaris Annemieke Voets, werkzaam bij Avans Hogeschool.

Sociotechnische benadering
Tonnie Huibers is directeur van de Academie voor Sociale Studies van Avans Hogeschool.
Huibers' presentatie is getiteld: 'Organisatiekanteling ASH: ontwerp- en veranderaanpak'.
Huibers vertelt dat hij deze academie bij zijn aanstelling aantrof als een complexe onderwijsorganisatie, waarin docenten gedemotiveerd dreigden te raken. Gebruik makend van inzichten vanuit een sociotechnische benadering heeft Huibers de structuur en de cultuur van zijn academie in samenhang aangepakt.

Tonnie Huibers vertelt:
  • De kern van mijn verhaal gaat over de sociotechnische visie op organiseren;
  • Als we cultuur willen creëren, doen wij dat via het inrichten van systemen, via de structuur (de inrichting van processen), via onze mensen (personeelsmanagement) en via cultuurinvloeden (zij het in geringe mate).
  • De gehanteerde uitgangspunten zijn bijvoorbeeld: de besturingsfilosofie, participatieve beleidsvoering en vormgeving en professionele autonomie. 
  • Ga en blijf met elkaar in gesprek en laat docenten vooral meepraten; hetgeen ze doen in zogenoemde carousselsessies.
  • Het onderwijskundig leiderschap ligt bij de Onderwijscommissie.
  • Onze HRM-er houdt zich alleen bezig met HRM-beheerszaken en is niet betrokken bij de kernteams.
  • Als management moet je geduld hebben en je moet een kernteam ook haar 'shit' gunnen.
  • We hebben geen kernteamhoofden; in een kernteam worden/zijn alle taken onderling verdeeld.
  • De volgende vier docentrollen hanteren we: vakman, collega, organisator en ondernemer.
HRM en beroepenveld
Adriaan Mellema is als onderwijskundige verantwoordelijk voor de kwaliteitszorg binnen Fontys Hogeschool ICT en zijn collega Robbert Pas is als HRM-adviseur verantwoordelijk voor de ontwikkeling en de implementatie van het Personeelsbeleid binnen Fontys Hogeschool ICT.
Hun presentatie is getiteld: 'Kwaliteitscultuur en HRM: ontwikkeling van de brede bachelor HBO-ICT'.
Zij vertellen hoe zij in hun brede opleiding een kwaliteitscultuur willen realiseren via de weg van HRM. Hun Fontys-opleiding ICT beleefde in het jaar 2006 een moeilijke periode. In de aanloop naar de onderwijsvisitatie en de accreditatie van deze opleiding werd besloten tot stevige interventies op het gebied van HRM en op de positionering van het beroepenveld binnen deze HBO-opleiding.

Adriaan Mellema en Robbert Pas vertellen:
  • Onze HBO-bachelor ICT is Nederlands eerste brede ICT-opleiding.
  • We werken met de zogenoemde 'Eén-curriculum-architectuur'.
  • De overstap is gemaakt naar betekenisvol, activerend en ontwikkelingsgericht onderwijs.
  • Onze 'nieuwe werkelijkheid' betekende onder andere: competentiegericht leren, een nieuw onderwijsconcept, samenwerking met industry 'partners in education', een nieuwe curriculumstructuur en een nieuwe toetsstructuur, waarbij de European Credits (cf. ECTS-systeem) worden verdiend door aan de vereiste competenties te voldoen.
  • De opleidingsdocenten kregen vier jaar de tijd om zich aan te passen aan die 'nieuwe werkelijkheid', om 'teamspeler in de arena' te worden.
  • Er wordt gewerkt met teamplannen.
  • Wat goed is voor studenten, is ook goed voor medewerkers.
  • Het HRM-beleid loopt in de pas met het onderwijsbeleid.
  • De gesprekscyclus (met o.a. functioneringsgesprekken) gaat uit van ontwikkelingsgericht HRM-beleid.
  • Zo doorlopen we onder andere de volgende processen:
Van Technology naar Innovation;
Van Vast naar Flexibel;
Van Statisch naar Dynamisch;
Van Plannen en Reguleren naar Faciliteren;
Van Lokalen naar Projectruimtes;
Van Leidinggeven naar Coachen;
Van Toeschouwer naar Teamspeler.

  • Doordat onze formatie sterk groeit, kunnen we die collega's aanstellen, die in de gewenste ontwikkelstand staan. We doen aan actieve 'recruiting'.
  • We zijn overgegaan naar een netwerkorganisatie met tijdelijke samenwerkingsverbanden (subteams).
  • Docenten worden door blokteamhoofden gevraagd in hun team te participeren. Docenten moeten ervoor zorgen dat ze geen leegloopuren hebben. Docenten die veel worden gevraagd, hebben daardoor de mogelijkheid om te kiezen waarin ze participeren. Docenten worden dus niet meer door het management ingezet, maar hun inzet wordt gevraagd door collega-docenten.
  • De HRM-medewerker coacht de teamleiders on the job.
  • We ontkoppelden innoveren van uitvoeren, want uitvoerders zijn geneigd om direct naar de uitvoerbaarheid van innovaties te kijken; bij innovaties moet je juist eerst grensverleggend denken.
  • Wij werken met 'Investor in People', een systeem voor ontwikkelingsgericht Human Resource-beleid.
  • Door al die ontwikkelingen maken we de overstap 'van Reactief naar Proactief' werken.
  • Onze streefnorm voor docenten is dat ze binnen hun aanstellingsomvang 10% van hun tijd besteden aan externe zakelijke dienstverlening, 10% aan onderzoek en  10% aan persoonlijke ontwikkeling.
  • De succesbepalende factoren voor onze aanpak zijn:
De horizon, waar duidelijk en consistent op wordt gestuurd;
Draagvlak en stuurkracht;
Eigenaarschap wordt beloond;
Grote betrokkenheid van medewerkers;
Niet de Studententevredenheid, maar Innovatie staat voorop.

De kracht van deze aanpak van Fontys Hogeschool ICT is gelegen in het feit dat de HRM-medewerker stevig participeert en faciliteert in de (door)ontwikkeling van 'de nieuwe werkelijkheid' in de opleiding.

donderdag 29 september 2011

Ervaringen met beperkte opleidingsbeoordeling

Donderdag 29 september 2011

In meteorologisch opzicht een ware zomerse dag in de herfst. De temperatuur loopt in Utrecht op tot boven de 25 graden Celsius; hetgeen bijzonder is voor de tijd van het jaar; in meer dan honderd jaar was dat nog maar 14 keer voorgekomen. Rondom het gebouw van Hogeschool Utrecht aan de Padualaan op de Uithof zitten her en der studenten en hogeschoolmedewerkers te genieten van de warme herfstzon.

Binnen hebben we de bijeenkomst van het Platform HBO van het Nederlands Netwerk voor Kwaliteitsmanagement (NNK), waarin de eerste ervaringen van Nederlandse hogeschoolopleidingen met het nieuwe accreditatiekader voor beperkte opleidingsbeoordelingen centraal staan. Die ervaringen worden vanmiddag van twee kanten belicht; enerzijds vanuit het perspectief van de visitatiepanels en anderzijds vanuit het perspectief van de opleidingen. Voorzitter Paul Nieuwenhuis heet iedereen welkom. Ongeveer 40 belangstellende zijn naar deze bijeenkomst gekomen, hetgeen bijna het dubbele is van de gemiddelde opkomst. Dit onderwerp spreekt de kwaliteitszorgmedewerkers van hogescholen allicht meer dan gemiddeld aan.

De eerste presentatie wordt verzorgd door Ruud van der Herberg, partner van het evaluatiebureau Hobéon Certificering, vandaag hier aanwezig om zijn ervaringen als voorzitter van diverse visitatiecommissies met ons te delen. In zijn presentatie komt onder andere aan de orde:
- Uitgangspunten, opzet en werkelijkheid van het nieuwe accreditatiestelsel;
- Naar beperkter en strikter beoordelen;
- De instellingstoets kwaliteitszorg: is er in het medewerkersteam sprake van een kwaliteitscultuur?;
- De algemene opdracht van visitatiecommissies: kom in het gesprek met de docenten dichter bij de opleiding en bij de actualiteit van het vakgebied;
- Eindkwalificaties van opleidingen met toegenomen aandacht voor internationalisering;
- Onderwijsleeromgeving als containerbegrip, over hoe moeilijk het is om voor NVAO-Standaard 2 een “Goed” als beoordeling te geven en te krijgen en over de zwaardere bewijslast die hier en daar nodig is. Voorts komen hier aan de orde: hersteltermijn, onderwijsprogramma, personeel en voorzieningen. Het geëtaleerde draagvlak van docententeams is van belang voor een goede beoordeling. Onderwijsrendementen worden steeds belangrijker in de beoordeling van opleidingen;
- Toetsing en gerealiseerde eindkwalificaties zijn nu dominant geworden in voorbereiding, uitvoering en nabetrachting. Hoe lang kunnen begeleiders hun studenten nog beoordelen? Worden de (voor)beelden met betrekking tot het nivo van de opleiding door het hele docententeam gedragen? Motiveren en hanteren opleidingen ook tussentijdse voortgangsbeslissingen en –begeleiding tijdens de opleiding, of is de focus uitsluitend op het afstuderen? Hanteren Examencommissie een eigen evaluatieve onderzoeksagenda?
- Hoe komt een visitatiepanel tot een eindoordeel op grond van de relatie tussen de standaarden van het nieuwe accreditatiestelsel?;
- De nieuwe Kritische Reflectie; is die nu werkelijk kritisch en reflectief?;
- De ‘Peers’, die nu een belangrijk element zijn geworden in het nieuwe stelsel;
- De nadruk die op eindwerkstukken en/of portfolio’s is gekomen, waarin het gerealiseerde nivo van de afgestudeerde aantoonbaar is;
- De kwaliteit van de audit met ruimte voor de inhoud van de opleiding;
- Hobéon kiest ervoor om eerst de opleiding te beoordelen, waarna nog een aantal aanvullende verbetervoorstellen worden benoemd in een verbeterparagraaf.

Tweede spreker vanmiddag is Piet Kaashoek, kwaliteitszorgcoördinator van de School voor Journalistiek van Fontys Hogescholen. Hij vertelt dat vier Nederlandse journalistiekopleidingen hebben gekozen voor samenwerking in het visitatietraject: uit kostenoverwegingen, om te kunnen benchmarken, ter tijdsbesparing en om good practices te verkrijgen voor collega-opleidingen binnen de eigen hogescholen. In de zelfevaluatie werkte Fontys met een Verzamelteam, een Onderzoeksteam, een Schrijfteam en een Reflectie-/Leesgroep. Kaashoek pleit voor een rode draad in de Kritische Reflectie, bijvoorbeeld de ontwikkelingslijn van de opleiding, die Hobéon graag als leidraad neemt tijdens visitaties. De tijdsbesparing viel achteraf tegen. Met documentenbeheer in Sharepoint heeft men goede ervaring opgedaan. Een gedigitaliseerde documentenstructuur en een goed werkend digitaal documentenbeheersysteem zijn voor opleiding en evaluatieburo van grote betekenis; daar is vooral nog tijdwinst te behalen voor opleiding en visitatiecommissie. De good practices leidden tot nieuwe standaarden voor volgende opleidingen die gevisiteerd zullen worden en de focus lag in het nieuwe stelsel inderdaad meer dan voorheen op het gegeven onderwijs.

De derde presentatie van vanmiddag wordt verzorgd door Manager Stephan van der Voort en Teamleider Karin Verschoor van de opleiding Fysiotherapie van Saxion Hogescholen. Hun Kritische Reflectie moest vooral de onderwijsinhouden en de gerealiseerde resultaten beschrijven, hetgeen nog niet tot volle tevredenheid met betrekking tot het eindproduct leidde. Ook hier is geen tijdsbesparing ten opzichte van de oude systematiek gerealiseerd. Het blijkt moeilijk te zijn om vanuit de NVAO-items de inhoud van de opleiding beknopt te beschrijven. Benadrukt wordt dat je voldoende openheid als opleiding moet betrachten om in het nieuwe stelsel verantwoord te kunnen worden beoordeeld. Desalniettemin blijkt het voor visitatiepanels moeilijk te zijn om de opleiding op de inhoud van het onderwijs te bevragen. De uitdaging is dan ook om op te schuiven van een procesgeoriënteerd onderzoek (over het hoe) naar een onderwijsinhoudelijk georiënteerde visitatie (over het wat).

Na de drie presentaties ontstaat plenair een geanimeerde discussie met de sprekers voorin de zaal. Het blijkt dat het nog moeilijk is om het visitatiegesprek dichter bij de professional (docent) te brengen. Het gesprek over rendementen en studeren met een handicap is niet goed uit de verf gekomen. Wel is er strenger dan voorheen bevraagd op het functioneren van de Examencommissies. Lesbezoeken hebben in geringe mate plaatsgevonden en het nieuwe verschijnsel van een open spreekuur levert sterk wisselende beelden, waarbij de inhoud niet altijd relevant is voor de lopende visitatie. Gemeld wordt dat de Netherlands Quality Agency haar visitaties start bij de afgestudeerden en bij hun begeleiders. Geconstateerd wordt dat het voor sommige peer-auditoren nog moeilijk blijkt te zijn om goed op onderwijs- en opleidingsinhoud te auditen.

Aan het eind van de middag wordt door één van de ervaringsdeskundigen gesteld dat het nieuwe stelsel in het eerste stadium nog wel als accentverschuiving mag worden gekarakteriseerd, maar dat er (nog) geen sprake is van een duidelijke ommezwaai.

donderdag 27 januari 2011

Controle en vertrouwen in het nieuwe accreditatiestelsel

Donderdag 27 januari 2011

Het nieuwe accreditatiestelsel dat met ingang van 1 januari 2011 in werking trad, is mede gebouwd op het principe van “vertrouwen”. Beoogd is om op te schuiven van de kwaliteitscontrole naar het vertrouwen dat hogescholen en universiteiten Anno 2011 hun kwaliteitszorgstelsel op orde hebben en dat ze – zoals dat heet – “in control zijn”. Omdat dit vraagstuk van de verschuiving van controle naar vertrouwen de komende jaren centraal zal staan, organiseert het Platform HBO van het Nederlands Netwerk voor Kwaliteitsmanagement (NNK) vanmiddag in de Hogeschool Utrecht een netwerkbijeenkomst, in samenwerking met Hobéon Certificering en met de NQA, beide al jaren Visiterende en Beoordelende Instanties (VBI) in het hoger onderwijs.

NNK-voorzitter Paul Nieuwenhuis heet de ruim 20 deelnemers welkom en verzoekt de aanwezigen om alvorens de twee presentaties zullen worden verzorgd in tweetallen te formuleren wat de gewenste opbrengsten van deze middagbijeenkomst zouden moeten zijn. Die worden daarna geïnventariseerd, waarna de beide sprekers deze aandachtspunten mee kunnen nemen in hun presentatie over het onderwerp van vanmiddag.

De eerste presentatie wordt verzorgd door de heer Paul Thijssen, directeur van de Netherlands Quality Agency (NQA). Zijn thema is: “Vertrouwen versus controle”. Hij wijst erop dat het nieuwe accreditatiestelsel weliswaar op vertrouwen is gebouwd, maar dat de bodem uit dit stelsel vandaan zal vallen zodra blijkt dat er in de praktijk geen vertrouwen wordt gegeven en/of gekregen. VBI’s zijn geen fraudebestrijders, maar willen graag een opleiding beoordelen op grond van de informatie die de VBI’s door de hoger onderwijsinstellingen in vertrouwen aan hun visitatiepanels zijn voorgelegd.

Vertrouwen op een VBI is gebaseerd op bijvoorbeeld de onafhankelijkheid van het visitatiepanel, op de transparantie van het beoordelingsproces en op de insteek dat de kwaliteit van een opleiding ook terdege wordt gecontroleerd op de inhoud en de behaalde resultaten van een te beoordelen opleiding. Zorgpunt is of de verbeterfunctie van het nieuwe stelsel voldoende uit de verf kan komen, nu vlak voor de inwerkingtreding van het nieuwe stelsel bleek dat een onvoldoende op één van de drie standaarden ook direct betekent dat de opleiding moet sluiten. Dan sluipt de angst voor een onvoldoende toch direct al weer in het stelsel en is een goed analytisch beoordelingsgesprek over met name verbeteracties op dit punt al bij voorbaat uitgesloten.

Veel passeert vanmiddag de revue:
- Bewaak de negatieve kanten van peer reviews.
- Hoe streng of hoe soepel moeten beoordelaars zijn?
- Geef de verbeterfunctie ruimte.
- Panel, durf te beoordelen!
- Opleiding, wees zelfkritisch!
- Haal instituutspolitiek zoals bijvoorbeeld minimaal te behalen goede en excellente beoordelingen uit de opleidingsbeoordeling.
- Hoe onafhankelijk is de Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie (NVAO); nemen ze wel voldoende gepaste afstand van de politieke wind?
- Verander de spelregels van dit stelsel niet tijdens de geldigheidsduur van dit accreditatiestelsel.
- Zorg er met zijn allen voor dat het vertrouwen in dit stelsel komt en blijft.
- Hoe bewijzen we openheid?
- Het valt op dat de HBO-raad en de VSNU als koepelorganisaties opvallend stil zijn in de discussie omtrent de omgang met dit nieuwe stelsel.

Tweede spreker is vanmiddag de heer Wienke Blomen, directeur van Hobéon Certificering. Zijn thema is: “Evenwicht tussen vertrouwen en controle”. Hij begint met het benoemen van de opbrengsten van de eerste accreditatiecyclus, die dit jaar wordt afgebouwd. Geconstateerd wordt dat we er kennelijk met z’n allen niet in zijn geslaagd om bij het publiek voldoende vertrouwen te verkrijgen op grond van alle positieve accreditatieresultaten. Aan de andere kant is het wel zo dat de nu in het leven geroepen Instellingstoets mag worden beschouwd als een teken van verdiend vertrouwen in de kwaliteit van het hoger onderwijs in het algemeen.

De meeste hogescholen en universiteiten hebben inmiddels een goed werkend kwaliteitszorgstelsel. Aandachtspunt is echter nog wel dat hier en daar de kwaliteitscyclus van de Deming Cycle (Plan>Do>Check>Act) nog wel eens stopt tussen “Do” en “Check” en anders nog wel eens tussen “Check” en “Act”. Zolang over dergelijke onvolkomen situaties nog praktijkvoorbeelden in de publiciteit komen, ligt het eigenlijk ook wel voor de hand dat – zelfs daar waar alle stakeholders in het hoger onderwijs vinden dat we grotere stappen moeten maken van controle naar vertrouwen - de politiek voortdurende controle op de kwaliteit van het hoger onderwijs steeds weer hoog op de politieke agenda zet. Noem het maar “het jojo-effect van controle en vertrouwen”. Bijkans nooit hangt die jojo stil.

Na de pauze ontstaat een interessante discussie. Er wordt gepleit voor een strikte scheiding tussen enerzijds een controlerende organisatie en anderzijds een toezichthoudende organisatie die tot continue verbetering leidt. Welke rol zou in die functiescheiding dan bijvoorbeeld de onderwijsinspectie krijgen en welke rol zou de NVAO in dezen dan krijgen? Geadviseerd wordt om als opleiding vooral te proberen om je visitatiepanel als het ware mee te nemen in de normen die je als opleiding hanteert voor beoogde kwaliteit. Benoem daarbij je overwegingen en je keuzes en toon aan hoe en dat je aan die gestelde kwalitatieve en kwantitatieve normen voldoet of die binnen de geplande termijn gaat bereiken. Een presentatie voor het visitatiepanel op een visitatiedag is daartoe bijvoorbeeld een goede werkvorm.

We zijn vanmiddag met elkaar in staat om heel veel werkvragen met betrekking tot dit nieuwe stelsel op te roepen, en het is mooi om te merken dat die kwesties ons uitnodigen om als kwaliteitszorgmedewerkers daarover een goed leergesprek te voeren, waarin goede ideeën ter tafel komen, waarvan in de uitvoeringspraktijk van de komende maanden en jaren zal blijken of ze zullen leiden tot goede resultaten.

donderdag 2 december 2010

Teamkwaliteit en Onderwijskwaliteit

Donderdag 2 december 2010

Voor de bijeenkomst van het Platform HBO van het Nederlands Netwerk voor Kwaliteitsmanagement (NNK) zijn we vandaag in Utrecht te gast bij de Faculteit Educatie van Hogeschool Utrecht. Tijdens deze netwerkbijeenkomst wordt ingegaan op de relatie tussen teamkwaliteit en onderwijskwaliteit. Het thema van de beide lezingen van vandaag is kort maar krachtig: "Teamkwaliteit en Onderwijskwaliteit". Ruim 20 kwaliteitszorgmedewerkers van hogescholen en verwante organisaties wonen deze lezing en aansluitende plenaire discussie bij. De bijeenkomst wordt geopend door Paul Nieuwenhuis, voorzitter van het NNK Platform HBO. Ben van Schijndel is de “thuisspelende” collega. die vandaag de inleidende presentatie verzorgt.

Ben van Schijndel is “Senior Beleidsmedewerker Kwaliteit” en onderzoeker bij de Hogeschool Utrecht. In de afgelopen twee jaren heeft hij onderzoek gedaan binnen docententeams, naar managementstijl en naar de organisatorische setting bij twee excellente opleidingen. Ben was vanaf 2003 mede verantwoordelijk voor de ontwikkeling en implementatie van de kwaliteitssystemen voor bachelor- en masteropleidingen en voor lectoraten. In die functie maakte hij in bijvoorbeeld audits kennis met excellente en met minder goed presterende opleidingen binnen de Hogeschool Utrecht.

Daarbij werd zijn aandacht vooral getrokken door de excellente opleidingen. Hierbij kwamen meerdere vragen naar voren; vragen die te maken hebben met de veronderstelde relatie tussen docentkwaliteit, teamkwaliteit en onderwijskwaliteit. Kwaliteitssystemen met bijbehorende audits werpen hier, volgens Ben, onvoldoende licht op. Vanuit de concepten “Kwaliteit is Mensenwerk” en “Kwaliteit in Drie Dimensies” heeft hij toen onderzoek gedaan naar docententeams van twee zeer goede, maar totaal verschillende opleidingen, te weten: “Personeel en Arbeid” en “Technische Bedrijfskunde”.

In zijn presentatie van vandaag gaat Ben van Schijndel eerst in op zijn onderzoeksvragen, waarin hij op zoek is naar wat goede docententeams onderscheidt van andere docententeams:
1. Wat zijn de kenmerken van hoge teamkwaliteit?;
2. Wat is hierbij de rol van het opleidingsmanagement?;
3. Wat is de invloed van de organisatorische context op teamkwaliteit?;
4. Is er een relatie tussen teamkwaliteit en onderwijskwaliteit?
We beginnen met een individuele inventarisatie van wat wij zelf als succesfactoren beschouwen voor teamkwaliteit. Op twee flaps worden de resultaten daarvan verzameld. Die spiegelen we aan de uitkomsten van het onderzoek van Ben.

Eerst vertelt Ben wat de verschillen en daarna wat de overeenkomsten zijn tussen de beide excellente opleidingsteams. Van met name die overeenkomsten is het interessant om te onderzoeken of hier de kwaliteitsbepalende factoren tussen zitten, die van een team een excellent docententeam maken.
Daarna gaat Ben in op de rol die het opleidingsmanagement kan spelen om tot teamkwaliteit te komen. Eén van de aanwezigen vult aan dat hij ook de stabiliteit van het opleidingsmanagement van doorslaggevende betekenis acht voor teamkwaliteit. In het onderzoek viel trouwens ook op dat eigenlijk niemand van de docenten het opleidingsbeleid exact kon benoemen, maar dat de eigen bewoordingen daarvan toch wel de lading ervan dekten. Goede teams werken kennelijk doelgericht.

Na de pauze gaan we in een meer interactieve, plenaire sessie dieper in op wat de resultaten van Ben zijn onderzoek betekenen voor onze ondersteuning en advisering als kwaliteitsdeskundigen. Onze werkrelaties met vooral ook het opleidingsmanagement en met de afdeling Human Resource Management zijn daarin essentieel, volgens de aanwezigen. We constateren dat vaak ook het relationele element in/van docententeams het punt is waarop moet worden ingezet, alhoewel dat alleen maar succesvol kan worden als teams dat zelf ook erkennen en accepteren en ze daar ook op in willen zetten.

Iemand geeft de tip om voortaan kwaliteitsbeleid te schrijven vanuit de beoogde teamkwaliteit. Ook moet je het aandurven om jezelf en elkaar in een hogeschool de vraag te stellen waar en/of hoe in onze eigen instellingen voor hoger onderwijs het leren van opleidingsteams wordt verhinderd, in de weg wordt gestaan. Een boeiende discussie ontstaat.

Aan het eind van de middag wordt Ben van Schijndel door onze netwerkvoorzitter Paul Nieuwenhuis bedankt voor zijn bijdrage aan deze interessante bijeenkomst. Tenslotte blikken we nog even vooruit naar het thema van onze volgende bijeenkomst in januari 2011, waarin de nieuw vorm en inhoud te geven relatie tussen VBI’s, NVAO en opleidingen ter tafel komt, als rond te komende jaarwisseling wordt gestart met de implementatie van het nieuwe accreditatiestelsel in het hoger onderwijs.

vrijdag 24 september 2010

(Op) weg met de kwaliteitsfunctionaris

Donderdag 23 september 2010

De eerste bijeenkomst van het Platform HBO van het Nederlands Netwerk voor Kwaliteitsmanagement (NNK) van dit collegejaar vindt vandaag plaats in Vergadercentrum Hoog Brabant in Hoog Catharijne te Utrecht. Tijdens deze netwerkbijeenkomst wordt ingegaan op de verschillende visies over de rol van de kwaliteitszorgfunctionaris in het hoger beroepsonderwijs, voor nu en in de toekomst. Het prikkelende thema van de beide lezingen van vandaag is: "(Op) weg met de kwaliteitsfunctionaris". Zo'n 20 kwaliteitszorgmedewerkers van hogescholen en aanverwante organisaties wonen de twee lezingen met aansluitende discussie bij. De bijeenkomst wordt geopend door Paul Nieuwenhuis, de nieuwe voorzitter van het NNK Platform HBO.

Eerste spreker is Jet Langman, Beleidsmedewerker van de Gerrit Rietveld Academie. Als beleidsmedewerker is haar werk steeds meer gaan bestaan uit kwaliteitszorggerelateerde aangelegenheden, zoals visitatie & accreditatie van opleidingen, kwaliteitszorg onderzoek, tevredenheidsonderzoeken en het adviseren over en betrokken zijn bij verbetertrajecten.

Het onderwerp van haar presentatie is: "Hoe krijgen we ze mee?" Als insteek voor kwaliteitszorg wordt binnen de Gerrit Rietveld Academie gekozen voor de vierledige insteek van:
- wat is van waarde in ons kunstonderwijs;
- wat gaat (al) goed; wat waren onze hoogtepunten; pas daarna wordt gesproken over plannen en uitdagingen;
- leren van elkaar (daarvoor zet men bijvoorbeeld de zogenoemde G-Tops is (genoemd naar Gerrit Rietveld);
- hoe kunnen we de docenten faciliteren.
Om zicht te krijgen op stakeholderstevredenheid werkt Jet Langman onder andere aan interne en landelijke tevredenheidsmetingen. Omdat de Gerrit Rietveld Academie met een groot aantal docentenaanstellingen werkt van betrekkelijk kleine omvang en de staf bestaat uit medewerkers met een veel grotere betrekkingsomvang, maakt Jet Langman deel uit van een vaste kern stafmedewerkers, waar docenten en werkplaatsmedewerkers voor hun vragen om ondersteuning dagelijks terecht kunnen.

Tweede spreker is Leny Catsburg, Directeur van de Dienst Onderwijs & Kwaliteitszorg van de veel grotere Hogeschool Rotterdam. De stafmedewerkers van deze dienst zijn klantnabij georganiseerd, overwegend persoonlijk verbonden aan opleidingen en werkend met zogenoemde ondersteuningsovereenkomsten. Ze vraagt zich in deze presentatie af of je wel kwaliteitszorgmedewerkers nodig hebt, immers, de opleidingsdocenten zouden toch de cruciale factor moeten zijn in het continue proces van kwaliteitsverbetering. Dat het veelal in hogescholen zo is dat Colleges van Bestuur alle kaders en richtlijnen naar beneden in de organisatie laten vallen (de wet van de zwaartekracht) wordt door een hier en nu ook aanwezige kwaliteitszorgmedewerker uit het bedrijfsleven als goed beschouwd, maar waarom werkt dat dan niet in het onderwijs?
Catsburg:
- Als je advies geeft als beleidsmedewerker moet je besef hebben over wat je advies betekent voor de ontvanger, wat het kost wat je adviseert en waar je het in de organisatie aan ophangt.
- Je moet ook de actuele managementvraagstukken kennen om je advies daarop in te haken.
- Je moet kwaliteitszorg niet wegorganiseren bij de kwaliteitszorgmedewerker, maar docenten daarvan eigenaar maken; er zijn opleidingsteams die dat kunnen, maar die hebben daartoe wel support nodig; dat moet je via de lijn organiseren.
- Als het human capital (personeel) zo belangrijk is, is Human Resource/Talent Management in je hogeschool belangrijk."

Na de pauze gaan we met elkaar en met de beide sprekers in gesprek over diverse ins en outs aangaande het dagthema, over de beide presentaties en over daaraan verwante hogeschoolzaken. Zaken die aan de orde komen, zijn onder andere: eigenaarschap van kwaliteit, excellent onderwijs, het nieuwe bekostigingsstelsel en de insteek dat dienstverlening binnen hogescholen gericht moet zijn op kwaliteitszorg met een lange cyclus van 6 jaar en niet met een korte cyclus die elke 6 jaar kort voorafgaat aan visitatie en accreditatie.

Aan het eind van deze discussie concludeert één van de aanwezigen": Hoera voor de innovatieve kwaliteitsfunctionaris!"

Deze netwerkbijeenkomst wordt vervolgens afgesloten met de gebruikelijke "Halen en Brengen"-ronde en tenslotte worden nog enkele mededelingen gedaan van huishoudelijke aard, betrekking hebbend op volgende actuele onderwerpen en vergaderlocaties.

vrijdag 27 november 2009

Kennismaking met Commissie Doelmatigheid Hoger Onderwijs

Donderdagmiddag 26 november 2009

Als "Landelijk Netwerk Kwaliteitszorg" (LNK) van het "Nederlands Netwerk voor Kwaliteitsmanagement" hebben we voor onze netwerkbijeenkomst van vandaag de "Commissie Doelmatigheid Hoger Onderwijs" (CDHO) uitgenodigd. Deze bijeenkomst vindt plaats op campus De Uithof te Utrecht. De CDHO heeft primair tot taak het beoordelen van aanvragen macrodoelmatigheid hoger onderwijs en het uitbrengen van een advies hierover aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Deze commissie is vrij recent ingesteld, namelijk met ingang van 1 juli 2009. Als leden van ons netwerk voor kwaliteitsfunctionarissen in het hoger onderwijs stellen we het bijzonder op prijs vandaag kennis te kunnen maken met twee medewerkers van deze nieuwe organisatie in het hoger onderwijs.

LNK-Dagvoorzitter Paul Nieuwenhuis heet onze gasten van de CDHO van harte welkom. Het zijn de CDHO-bureaumedewerkers mevrouw Eveline Jacquemijns (juridisch beleidsmedewerker) en de heer Dirk Post (senior beleidsmedewerker). Zij houden zich binnen de CDHO bezig met doelmatigheidsvraagstukken en met respectievelijk de juridische en beleidsmatige aspecten, die daarbij een rol spelen. Vandaag verzorgen ze in onze kring een presentatie over allerlei aspecten van het werk van de CDHO en geven ze antwoord op een groot aantal vragen die door de belangstellende aanwezigen in de zaal worden gesteld.

Eerst wordt kort de ontstaansgeschiedenis van deze nieuwe commissie geschetst en wordt verteld wie de besluitvormende leden van de CDHO zijn (onder voorzitterschap van de heer Norbert Verbraak). Dan volgt achtereenvolgens een uitleg over de taken en van de werkwijze van de commissie. Inmiddels is bekend dat ook de nieuwe "Fusietoets Hoger Onderwijs" bij de CDHO in portefeuille is gekomen. Daarna wordt uitgelegd middels welke procedure de Commissie Doelmatigheid Hoger Onderwijs de Minister van OCenW adviseert omtrent de doelmatigheid van bijvoorbeeld een nieuw aangevraagde opleiding in het hoger onderwijs. Ook de voorwaarden om tot o.a. nieuw door de overheid bekostigd onderwijs te komen, worden genoemd en uitgebreid toegelicht. Daarmee wordt een toelichting gegeven op de Beleidsregel inzake de doelmatigheid van het hoger onderwijs.

Na een aantal algemene tips presenteren Eveline Jacquemijns en Dirk Post een omvangrijk aantal "dont's & do's". Stuk voor stuk buitengewoon verhelderend voor onze netwerkleden, waarvan een groot deel op dit moment binnen de eigen hogeschool betrokken is bij in ontwikkeling zijnde aanvragen in het kader van doelmatigheid. De boodschap is duidelijk. Het indienen van een aanvraag voor het verzorgen van een nieuwe opleiding, of van het elders vestigen en/of verplaatsen van een bestaande opleiding of van het samenvoegen van bestaande opleidingen is geen sinecure. Aanvragen moeten inhoudelijk onmiskenbaar beargumenteerd en onderbouwd worden ingediend bij de commissie.

Na deze verhelderende, nuttige presentatie worden kort nog een aantal discussiepunten aangehaald over (1) het krachtenveld rond Ministerie, CDHO en instellingen voor hoger onderwijs, over (2) de mate van openbaarheid van besluiten en adviezen van de CDHO en over (3) het afstemmingsoverleg dat hoger onderwijsinstellingen vanaf aanvang volgend jaar op grond van de "Wet Versterking Besturing" moet voeren indien zij nieuwe opleidingen en nevenvestigingen gaan aanvragen.

vrijdag 25 september 2009

Wetsontwerp Accreditatie .... What's new?

Donderdagmiddag 24 september 2009

In deze eerste bijeenkomst na de zomervakantie van ons Platform Hoger Beroepsonderwijs (HBO) van het Nederlands Netwerk voor Kwaliteitsmanagement (NNK) gaat de heer Roeland Smits van de HBO-Raad als genodigd spreker in op de laatste ontwikkelingen rond de invoering van het nieuwe accreditatiestelsel. Het onderwerp van zijn presentatie is: "What's new? Het Wetsontwerp Accreditatie, de aanloop, de inhoud en de gevolgen. Roeland Smits is bij de HBO-raad (de vereniging van hogescholen) werkzaam als beleidsadviseur, met als portefeuille: juridische zaken, accreditatiestelsel, makrodoelmatigheid en masteropleidingen. De bijeenkomst vindt plaats in de Hogeschool Utrecht op de locatie De Uithof te Utrecht.

De heer Smits legt eerst uit wat de doelen van het nu nog geldende accreditatiestelsel van 2003 zijn. De evaluatie van dit huidige stelsel leidde tot een herziening van dat stelsel. Aan de kaders van het nieuwe stelsel - dat uit gaat van een Instellingsaudit met aanvullend beperkte opleidingsaccreditaties - wordt momenteel uitwerking gegeven. Omdat de Raad van State in eerste lezing een negatief advies gaf op het wetsontwerp, heeft het wetgevingstraject vertraging opgelopen. Het streven is momenteel om de behandeling in de Tweede en Eerste Kamer te laten plaatsvinden in het laatste kwartaal van 2009. Nog niet duidelijk is en wordt ons vanmiddag wat de ingangsdatum van het nieuwe accreditatiestelsel wordt en hoe de overgangsperiode van het oude naar het nieuwe stelsel zal worden ingericht. Hogescholen gaan zolang door met de lopende trajecten en starten ook alle nieuwe accreditatietrajecten - die vaak looptijden van zo'n twee jaar hebben - op gebruikelijke wijze op met hun externe contractpartijen, de Visiterende en Beoordelende Instanties (VBI's).

Roeland Smits gaat ook in op de inzichten die vanuit de reeds afgeronde pilots naar voren kwamen en hoe deze zijn verwerkt in het voorliggende wetsontwerp. Vooralsnog blijft het nog de vraag welke hogescholen in het nieuwe stelsel zullen gaan voor de Instellingsaudit aangevuld met beperkte Opleidingsaccreditatie en welke hogescholen zullen kiezen voor alleen uitgebreide opleidingsaccreditaties. Ook blijft nog enige maanden de vraag open of wij in het nieuwe stelsel afscheid gaan nemen van de huidige VBI's, of dat wij met deze contractpartners in een andere vorm gaan samenwerken.

Na de presentatie van de heer Smits bespreken we in subgroepen wat het nieuwe accreditatiestelsel mogelijk zal gaan betekenen voor ons werk binnen de hogescholen van Nederland. Daarbij inventariseren we in groepen welke kansen we als hogescholen zien in het nieuwe stelsel. Enkele andere groepen bespreken de voorziene risico's van dat nieuwe stelsel, en hoe we ons optimaal daarop kunnen voorbereiden. Aan het eind van de middag bespreken we plenair de oogst van alle verwachte kansen en risico's en helpen we elkaar bij het vinden van oplossingen om die mogelijke risico's te verminderen en om vooral optimaal gebruik te maken van de kansen die dit nieuwe stelsel het hoger onderwijs waarschijnlijk zal bieden.

Met belangstelling zien we de Kamerbehandeling van dit wetsontwerp tegemoet.
Wordt vervolgd!

donderdag 11 juni 2009

Certificering, Accreditatie en de Professional

Donderdag 11 juni 2009

Samen met Stenden-collega Nienke Ketelaar woon ik vandaag in Utrecht de periodieke netwerkbijeenkomst bij van het Landelijk Netwerk Kwaliteitszorg (LNK), de sector van het Nederlands Netwerk Kwaliteitszorg (NNK) dat zich bezig houdt met kwaliteitszorg in het Hoger Beroeps Onderwijs (HBO). Het thema van deze bijeenkomst is "Certificering, Accreditatie en de Professional", ontleend aan de titel van het proefschrift van de op 23 april 2009 op deze dissertatie gepromoveerde LNK-collega dr. Everard van Kemenade.

Everard van Kemenade begint ons in zijn presentatie te vertellen dat hij in zijn promotieonderzoek onderzocht onder welke voorwaarden hogeschooldocenten als professionals bereid zijn mee te werken aan een certificeringsproces, zoals bijvoorbeeld het in het HBO gebruikelijke accreditatieproces. Zijn promotieonderzoek bestond uit een theoretische verdieping, een brede enquête van 55 vragen op 3 opleidingen van Fontys hogescholen, een beperkte enquête met 7 stellingen onder 1.500 Nederlandse en Vlaamse hogeschooldocenten en een Delphi-bevraging onder 37 experts op het gebied van accreditatie in het HBO.

De volgende resultaten van dit onderzoek worden door Everard vandaag aan ons gepresenteerd.
Hogeschooldocenten zijn bereid aan accreditatie mee te werken, maar meer dan de helft van deze groep zou zelf niet voor accreditatie kiezen.
Accreditatie verhoogt de werkdruk en zorgt voor stress; hogeschooldocenten hebben daarbij hulp nodig van kwaliteitszorgspecialisten.
Het object en de procedure van de accreditatie moeten motiveren en de leden van de visitatiepanels moeten deskundig zijn.
Bij accreditatieprocessen onderscheiden we onder de betrokkenen een verschil in waardeoriëntatie: enerzijds wordt de docent-eigen betrokkenheid op onderwijsverbetering herkend, terwijl daar tegenover blijkt dat hogeschooldocenten accreditatie ervaren als een aan hen opgelegd beheersingsmiddel.

Onze Vlaamse collega's blijken positiever tegenover accreditatie te staan dan onze Nederlandse collega's en binnen Nederland blijken onze noordelijke collega's positiever in deze dan hogeschooldocenten uit het zuiden van Nederland.
Binnen de verschillende sectoren/domeinen van het HBO zien we een negatiever houding omtrent accreditatie bij de opleidingen voor de kunsten, terwijl de economische opleidingen en de opleidingen in de gezondheidszorg in deze beduidend positiever zijn.
Voor de beleving maakt het geen verschil of hogeschooldocenten al dan niet coördinerende taken hebben en ook is er geen significant onderscheid aan te wijzen onder docenten die te maken kregen met de verschillende Visiterende en Beoordelende Instellingen (VBI's) die Nederland kent.

Everard van Kemenade komt in zijn proefschrift tot de volgende conclusies.
Nederlandse en Vlaamse hogeschooldocenten zijn bereid mee te werken aan het accreditatieproces als:
1. het Certificeringsproces interne meerwaarde heeft, een motiverend object, procedure en subject heeft, eenvoudige basisregels heeft en waarbij het "control" niet als de dominante waarde heeft;
2. de Hogeschooldocent loyaal is, eigenbelang ziet, organisatiebetrokken is en als hij/zij de verantwoordelijkheid niet op anderen afschuift;
3. de Hogeschool het werk niet alleen door kwaliteitsdeskundigen laat doen, als de hogeschool voldoende steun vanuit het management biedt en als de hogeschool de kwaliteitszorg op orde heeft.

Ook als aan al deze succesbepalende factoren is voldaan, ziet Everard van Kemenade toch ook nog een kritische, laatste conclusie onder ogen, namelijk die van - wat hij noemt - de "dramaturgical compliance als risico", wat in en buiten het onderwijs ook wel "window dressing" wordt genoemd, wat in feite betekent dat bij accreditatieprocessen in het hoger beroepsonderwijs de neiging bij hogescholen bestaat om de zaken mooier voor te spiegelen dan ze feitelijk zijn.

Als het nieuwe accreditatiestelsel dat in 2010 in zal gaan, tendeert naar nog meer "accountability" (met goed gevolg verantwoording afleggen teneinde overheidsfinanciering te behouden) in plaats van zich meer te richten op "improvement" (het continu verbeteren van onderwijs), brokkelt de bereidheid van hogeschooldocenten om aan accreditatieprocessen mee te werken nog verder af, waarmee het gevaar bestaat dat het management en bestuur van hogescholen nog meer nadruk zullen gaan leggen op het beheersen van bedrijfskritische processen teneinde het risico van niet-verleende accreditaties te minimaliseren.
Interne kwaliteitszorg (met zelfevaluatierapporten) en externe kwaliteitsverantwoording (met zelfverdedigingsrapporten) dreigen dan uiteendrijvende continenten te worden; een in mijn ogen heil-loze weg.

donderdag 12 februari 2009

"Water & Vuur" of "Yin & Yang" ?

Donderdag 12 februari 2009

Als Landelijk Netwerk Kwaliteitszorg (LNK) van het NNK sluiten we vandaag een drieluik van bijeenkomsten over "De Kwaliteitszorgmedewerker" af. Met ongeveer 20 leden komen we bijeen in de Hogeschool Utrecht. Het thema vandaag van deze derde seriebijeenkomst is: "Docenten(teams) & kwaliteitsmedewerkers: water & vuur of yin & yang?". We zetten de rol van docenten(teams) in de verbetering van de kwaliteit het onderwijs centraal en zoeken naar passende manieren op daar als (de)centrale kwaliteitsfunctionaris een bijdrage aan te leveren, middels ondersteuning, stimulering en/of kritische reflectie.

De voorgaande LNK-bijeenkomst ging over de kwaliteitszorgmedewerker in het onderwijs als spil in de kwaliteitszorg (zie mijn weblogverslag van 18 december 2008) en de eerste bijeenkomst van deze LNK-drieluik had als thema: "Wordt de Kwaliteitszorgmedewerker overbodig?" (zie mijn weblogbericht van 17 april 2008).

Voordat we in de workshopsessie uiteen gaan in groepen, worden drie korte presentaties verzorgd. Léon van der Meij van M'ij Organisatieadvies leidt het thema in. Jouko van der Mast van Upstream Consulting bespreekt het verandermodel van Metselaar (1997) over Verandernoodzaak (= moeten), Veranderbereidheid (= willen) en Verandervermogen (= kunnen). Tenslotte volgt Everard van Kemenade van Fontys Hogescholen over een deel van zijn nu in druk zijnde dissertatie, waarin hij de docent als professional definieert en daaraan diens wil/bereidheid koppelt om al dan niet mee te doen aan het afleggen van verantwoording inzake kwaliteitszorg, waarna hij een typering in 10 categorieën toelicht uit zijn promotieonderzoek over hoe hogeschooldocenten reageren op een accreditatieproces.

De real life case die we daarna in subgroepen in de workshop bespreken heet: "Verbeteren kwaliteit van het onderwijs binnen MBO", over een MBO-opleiding die aanvang 2008 bij een kwaliteitsonderzoek door de Onderwijsinspectie een onvoldoende beoordeling kreeg. We krijgen een casusbeschrijving, een overzicht van de kwaliteitsoordelen van de Onderwijsinspectie en de opdracht om als team kwaliteitszorgmedewerkers met een voorstel te komen over de wijze waarop deze opleiding met drie locaties, zes deelteams, 30 medewerkers, 6 teamvoorzitters, 2 opleidingscoördinatoren, een afdelingsdirecteur en het college van bestuur over een jaar de opleiding "in control" heeft, met als ultieme doel de kwaliteit van het onderwijs tijdig op voldoende niveau te krijgen. Complicerende factoren zijn: de verkeerde focus van management & docenten, de samenstelling van het docententeam en de lage "sense of urgency", want eigenlijk had het team tijdens de eerste, vernietigende inspectieaudit het bezoek van deze inspecteurs niet serieus genomen.

Voldoende ingrediënten dus voor een geanimeerde werkbespreking in de subgroepen, gevolgd door korte samenvattingen en conclusies in de plenaire afsluiting. De tijd vliegt om en wel zo snel dat we voortijdig moeten afsluiten, omdat aansluitend in onze vergaderzaal een diplomauitreiking van de Hogeschool Utrecht volgt. We verlaten zo spoedig mogelijk de zaal, want zoals dat op elke hogeschool betaamt: studenten gaan altijd vóór.

donderdag 17 april 2008

Wordt de kwaliteitszorgmedewerker overbodig?

Donderdag 17 april 2008
Het thema vandaag van de bijeenkomst in Utrecht van het NNK-Landelijk Netwerk Kwaliteitszorg is: "Wordt de kwaliteitsmedewerker overbodig?". LNK-voorzitter Ben van Schijndel introduceert de spreker van vandaag: Léon van der Meij, Consultant van M'ij Organisatieadvies. In zijn inleidende presentatie schetst Léon eerst een aantal algemene actuele ontwikkelingen in het onderwijs, gevolgd door een aantal specifieke actuele ontwikkelingen met betrekking tot de setting waarin de kwaliteitszorgmedewerker nu en in de toekomst werkt.

Daarna gaan we in 5 workshops van elk 8 personen uiteen om op basis van een voorafgaande brainstormcarrousel samen te formuleren wat de kwaliteitszorgfunctie in het onderwijs gaat worden en welke rol en functie de kwaliteitszorgmedewerker daarin vervult.

In het laatste halfuur worden een aantal conclusies en visies gepresenteerd. Kortom, een gevarieerd middagprogramma met deze keer behalve stafmedewerkers uit het HBO ook een relatief groot aantal gast-deelnemers uit het MBO en gast-deelnemers die niet in het onderwijs werkzaam zijn.