Posts tonen met het label HBO-raad. Alle posts tonen
Posts tonen met het label HBO-raad. Alle posts tonen

zondag 21 april 2013

Wereld van waarde

Donderdag 18 april 2013
Keynote speaker minister Jet Bussemaker

HBO-jaarcongres 2013 in Den Bosch
Het jaarcongres 2013 van de HBO-raad (de vereniging van hogescholen) is vandaag in de Brabanthallen in 's Hertogenbosch. Met een deelnemerslijst van meer dan 600 mensen is dit één van de grootste congressen die jaarlijks in, voor en met het Nederlandse Hoger Beroepsonderwijs (HBO) wordt gehouden. Docenten & studenten, managers & bestuurders, onderwijskundigen & personeelsadviseurs, kortom, allerlei medewerkers van hogescholen en van hun partnerorganisaties zijn gisteren of vandaag afgereisd naar Den Bosch, om hier vandaag dit grote HBO-congres bij te wonen. We komen voor plenaire sessies, voor hoorcolleges, voor debatten, workshops, en ook om elkaar in de ontmoeting tussen hogescholen te spreken over ons waardevolle Nederlands hoger beroepsonderwijs.

De waarde van de opleiding
Nadat dagvoorzitter Jet de Ranitz iedereen welkom heeft geheten, volgt de openingsspeech van Thom de Graaf, voorzitter van de HBO-raad.  De Graaf spreekt over de kernfunctie van het HBO en beweert dat ons hoger beroepsonderwijs met sprongen vooruit gaat. Hij prijst onze onderwijsminister, die 'het hoger onderwijs ook van binnenuit kent. Ze weet waar wij mee bezig zijn, en hoe moeilijk dat soms ook is."
Thom de Graaf:
  • Studenten moeten tijd en ruimte houden om naar de wereld te kijken;
  • Goed onderwijs gaat om meer dan rendementen;
  • Het HBO heeft wel rust en stabiliteit nodig;
  • Teveel ministeriële sturing staat innovatie in de weg;
  • Onderzoek in het HBO - in bijvoorbeeld Centers of Excellence en in Lectoraten - leidt tot innovatie.
De HBO-raadsvoorzitter vindt dat we in onze vereniging van hogescholen samen verantwoording moeten afleggen, dat de onderlingen debatten en gesprekken van onderop moeten komen en dat we daarom onze Verenigingsgedachte meer moeten benadrukken. Hij sluit af met de presentatie van de nieuwe naam van de HBO-raad: 'Vereniging Hogescholen'. Zijn nieuwe visitekaartje met daarop de nieuwe verenigingsnaam reikt hij uit aan de volgende spreker: Jet Bussemaker, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCenW).

Onderwijsminister Jet Bussemaker
Dan volgt de voordracht van Jet Bussemaker, voorheen rector van de Hogeschool van Amsterdam, momenteel minister van OCenW.
Het opleiden van professionals aan wie wij ons zelf en ons hele hebben en houden in de toekomst toevertrouwen, is een kernmissie van het HBO, aldus onze minister. Ze geeft aan dat die kernmissie lang niet altijd in voldoende mate op waarde wordt geschat.
Jet Bussemaker:
  • In hogescholen draait alles om die waarde van de professional;
  • HBO-ers zijn waarde(n)dragers & waarde(n)overdragers;
  • De huidige praktijk vraagt om snelle oplossingen;
  • Hogescholen moeten niet universiteitje gaan spelen; nieuwe kennis moet - samen met het werkveld - in de praktijk worden gebracht;
  • Lectoren zijn in het maatschappelijk debat nog te vaak afwezig;
  • Bussemaker wil graag discussie over de toekomst van het HBO, over waar bijvoorbeeld over tien jaar het HBO staat qua digitalisering van het onderwijs.
Voorzittersvoordracht Onderwijsraad
De volgende plenaire voordracht wordt verzorgd door Geert ten Dam, voorzitter van de Onderwijsraad.
Ten Dam:
  • Kritisch leren denken doe je niet in aparte vakken, maar dat leren studenten in praktijkgericht onderwijs;
  • De aansluiting van het HBO op de arbeidsmarkt kan veel doelmatiger;
  • Je moet jezelf zien als iemand die een bijdrage gaat leveren aan waarde(n);
  • Je moet studenten leren te zien dat hun bijdrage aan het beroep en aan de samenleving ertoe doet; zo krijgt onderwijs vormende waarde;
  • Het gaat om het kwetsbare evenwicht van economische, maatschappelijke en persoonlijke waarden;
  • De missies van hogescholen zouden wel wat concreter mogen, want dan spreken ze de studenten ook meer aan;
  • Besteed ook aandacht aan de normatieve kant van bestuur & governance;
  • Je moet doorlopend expliciet nadenken over nieuwe moraliteit.
Cultuur wint altijd!
De eerste deelsessie die ik bijwoon, is het hoorcollege 'Cultuur wint altijd!', van Kristel Baele & Kees Boele, beiden lid van het College van Bestuur van de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen.
Baele vraagt zich af wat het voor een hogeschoolbestuurder betekent als hij/zij een inspirerende, professionele onderwijs- en onderzoekscultuur wil creëren, en wat dat met de docent doet als je dat in balans wilt laten zijn met procedurele 'checks and balances'. Baele: 'Ontkennen van kwaliteitsstandaarden helpt niet, ze internaliseren wel.".
Boele vertelt dat docenten inhoud, sfeer en zelfstandigheid belangrijk vinden, maar dat zij momenteel teveel in een kramp zitten en bang zijn om te innoveren. Volgens hem is de cultuur (veel meer dan de structuur) bepalend voor de kwaliteit van het onderwijs. Studenten zouden minder opdrachten moeten krijgen en minder moeten reflecteren. Daarvoor moet meer inhoud in de plaats komen. Niet langer opleiden, maar onderwijzen vanuit ervaring en met wijsheid, want dat vraagt de huidige generatie, aldus Kees Boele.
Zijn oplossing is:
  • Werk vanuit een hoogwaardige, inhoudelijke en collectieve ambitie;
  • Organiseer professionele zelfstandigheid en verantwoordelijkheid;
  • Zorg voor een veilige en inspirerende atmosfeer.
Boele sluit zijn presentatie af met een verwijzing naar de woorden van Moeder Theresa: "We kunnen geen grote dingen doen, alleen kleine dingen met grote liefde".

Verbinden & Samen doen
De tweede deelsessie - een workshop - die ik bijwoon, gaat over 'Verbinding tussen centraal en decentraal overleg', verzorgd door Jos van Hijfte van de Hogeschool van Amsterdam. Gesteld wordt dat je streeft naar verbetering in het onderwijs, en dat zou dan blijken uit de cijfers. Cijfers geven echter geen verbetervoorstellen, maar geven altijd het signaal om een gesprek te voeren.
De derde deelsessie die ik bijwoon, heet: 'Waarom moeilijk doen als het samen kan', en gaat over studiesuccessen door sociale cohesie. In deze workshop van de Christelijke Hogeschool Windesheim presenteert lector Rob Bovens zijn project '#Five', over een fit en veilig Windesheim, over hoe een gezond en veilig hogeschoolklimaat leidt tot studiesucces.

Bas Haring filosofeert over hoger beroepsonderwijs
Het plenaire Slotprogramma wordt aan het eind van de middag verzorgd door filosoof Bas Haring.
De volgende twee thema's komen in zijn verhaal aan de orde:

I. De waarde van het onderwijs:
  • Studenten worden opgeleid om deel te nemen aan hún samenleving, waarin wíj te zijner tijd te gast zijn;
  • Waarde is geborgd in dingen, die er voor ons toe doen;
  • Naarmate de samenleving ingewikkelder wordt, hebben mensen een langer traject nodig om goed deel te kunnen nemen aan de samenleving. En daar komt bij dat als we langer leven en langer werken, wij ook langer moeten studeren.

II. Een onderzoekende houding stimuleren:
  • Beroepsgericht onderzoek in het HBO moet ook wetenschappelijk onderzoek zijn; en daar bestaat dan wel een enorme vrijheid, mits het antwoord op de onderzoeksvraag maar juist is.
  • Als je maar nieuwsgierig bent, mag je best onderzoek doen in het HBO.
Mijn toekomstdroom - aldus Bas Haring - is dat mensen niet direct overal wat van vinden en dat direct ook zeggen, maar dat ze hun oordeel nog even uitstellen.

woensdag 17 april 2013

Resonansgroep Inspectieonderzoek Accreditatiestelsel

Dinsdag 16 april 2013

Kantoor van de Onderwijsinspectie in Utrecht
















Onderzoek naar functioneren accreditatiestelsel
De Onderwijsinspectie stelt periodiek onderzoek in naar het functioneren van het Nederlandse accreditatiestelsel in het hoger onderwijs. Momenteel loopt een onderzoek naar het functioneren van het nieuwe accreditatiestelsel, dat per 1 januari 2010 van start is gegaan. De resultaten van dit inspectieonderzoek zal bijdragen aan de evaluatie van het nieuwe accreditatiestelsel, die het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap uitvoert.

Resonansgroep Inspectieonderzoek
De Onderwijsinspectie heeft een zogenoemde Resonansgroep ingesteld, die de inspectie adviseert over de onderzoeksopzet, over de uitvoering daarvan en over de onderzoeksrapportage. Deze Resonansgroep bestaat uit leden van koepelorganisaties (bv. CNVO, HBO-raad, ISO), deskundigen vanuit kringen van onderzoekspanels (NQA), docenten, studenten en een onafhankelijke buitenstaander. Op verzoek van en namens het bestuur van de onderwijsvakorganisatie CNVO participeer ik in deze Resonansgroep. De Resonansgroep kwam reeds bijeen in november 2012 en in januari 2013. Vandaag is de derde bijeenkomst van de Resonansgroep, in het kantoor van de Onderwijsinspectie te Utrecht.

Het onderzoek
In de voorgaande twee bijeenkomsten bespraken we concepten van het ‘Toezichtkader Accreditatiestelsel Hoger Onderwijs’ en van de ‘Onderzoeksopzet Accreditatiestelsel 2012-2013’. Op grond van onze feedback op die concepten, zijn de nieuwe versies gemaakt. De leden van de Resonansgroep stemmen in met deze bijgestelde versies.
Coördinerend Inspecteur Bert de Vries presenteert een update over de voortgang van het lopende inspectieonderzoek. Er zijn gesprekken gevoerd (met bv. NVAO en VBI’s), documenten zijn bestudeerd, een enquête is uitgezet in instellingen en opleidingen voor hoger onderwijs en er zijn negen cases geselecteerd voor een vervolg-diepteonderzoek.

Resultaten en dieptestudie
Ter voorbereiding op dit overleg hebben we de eerste resultaten - de rechte tellingen en de antwoorden op de open vragen - van de ingevulde vragenlijsten bestudeerd. Vraag voor vraag bespreken we de geanonimiseerde resultaten, zoals die zijn ingevuld op de reeds 81 ingediende vragenlijsten van 38 instellingen voor hoger onderwijs.
We stemmen in met de negen casussen, die in het kader van dit onderzoek voor nog meer diepgang van de onderzoeksresultaten zullen zorgen. Het gaat hier om instellingen die bijvoorbeeld al hebben meegedaan aan de Instellingstoets Kwaliteitszorg, die een Toets Nieuwe Opleiding hebben ondergaan en/of die een Bestaande Opleiding voor accreditatie hebben voorgedragen (beperkt of uitgebreid, al dan niet met een herstelperiode, WO & HBO, Bachelor & Master, met verschillende evaluatieburo’s en een variëteit aan besluiten).

Aanvang Juli 2013 komen we weer bijeen om het concept van het onderzoeksrapport te bespreken.

dinsdag 22 mei 2012

Hoger Onderwijs: crisis of kwaliteit?

Maandag 21 mei 2012
Jaap Nammensma,Tiny Hekkenberg en Doekle Terpstra















Doekle Terpstra
De jaarlijkse sectorledenvergadering van de Sector Hoger Onderwijs van CNV-Onderwijs vindt vandaag plaats in het CNV-gebouw te Utrecht. Zoals te doen gebruikelijk komen daarin naast de huishoudelijke zaken ook de actuele ontwikkelingen in het hoger onderwijs aan de orde. Voor het eerste gedeelte van deze bijeenkomst van de Sector Hoger Onderwijs is Doekle Terpstra uitgenodigd; voorheen de voorzitter van het CNV en nadien van de HBO-raad; en vandaag bij ons aanwezig in zijn actuele functie van bestuursvoorzitter van Hogeschool Inholland. Terpstra is als spreker uitgenodigd om zijn bestuurderservaring met ons te delen in het kader van het thema: ‘Hoger Onderwijs: crisis of kwaliteit’.

Crisis of kwaliteit
Doekle Terpstra vertelt over zijn ervaringen op hogeschoolnivo; over wat hij heeft waargenomen als bestuurder en als persoon. Hij geeft aan nog steeds blij te zijn dat hij de stap van de HBO-raad naar Inholland heeft gemaakt; om ook eens in de rol van hogeschoolbestuurder te stappen. Die overstap heeft hem in elk geval zicht gegeven op een aantal onvolkomenheden in het hoger onderwijs, zo vertelt hij.

Lessons learned
Terpstra begint te stellen dat de belangengroep ‘Beter Onderwijs in Nederland’ (BON) achteraf gezien meer gelijk had in haar beweringen dan hij aanvankelijk nog dacht toen hij bij de HBO-raad werkte. Bij Inholland was het bijvoorbeeld bij zijn aantreden zo dat de diensten de dienst uitmaakten, in plaats van dat de mensen uit het primair proces (het onderwijs)– bepaalden wat goed is voor het onderwijs van de hogeschool. De fifty-fifty-verhouding van diensten-onderwijzend personeel was de scheefgetrokken realiteit. Terpstra is duidelijk in zijn opstelling: éénmaal per vijf jaar moet bij organisaties in het publieke domein (zoals onderwijs en zorg) de helft van de staforganisatie eruit.

Hogeschool Inholland
Bij Hogeschool Inholland was in de loop der jaren een bestuurlijke bovenwereld gegroeid, die los van de onderwijsorganisatie functioneerde, los van het primaire proces. De hogeschool had haar zaken ook niet op orde voor wat betreft het naleven van de geldende wet- en regelgeving. Terpstra: “We moeten de wet- en regelgeving niet langer als last beschouwen, maar die als een voertuig hanteren voor ons handelen.” Het nadelige voor een hogeschool als Inholland is dat in zo’n gegeven crisissituatie alle creativiteit plat wordt geslagen en dat je als hogeschool volledig in een kramp schiet als je zo onder de loep wordt genomen. Een reëel risico voor het onderwijs van Inholland is dat docenten van het ene wantrouwen in een ander wantrouwen schieten. Een gebrek aan vertrouwen van de mensen uit het primaire proces in de mensen in de top van organisaties in bijvoorbeeld zorg, onderwijs en banken is momenteel eerder regel dan uitzondering. Vertrouwen daarentegen is een sleutelwoord, want vertrouwen in de top, betekent ook vertrouwen op de werkvloer.

Professionele ruimte
Doekle Terpstra heeft intussen ook zijn beeld over de zogenoemde ‘professionele ruimte’ in het onderwijs bijgesteld. Docenten moeten weer zelf greep krijgen op het primaire proces, op hun onderwijs. Terpstra verwacht veel van een combinatie van het invullen van die professionele ruimte in relatie tot het verantwoording afleggen over het gegeven onderwijs. In het professionele gesprek van docenten onderling moet ook de verantwoording van het eigen handelen ten opzichte van elkaar worden ingevuld. Professionele ruimte dient samen te gaan met een cultuur van elkaar aanspreken op elkaars functioneren. “Dat is een kwetsbaar onderwerp, maar toch moeten we die slag maken in het hoger onderwijs”, aldus Terpstra.
Misschien moeten we in alle arbeidsovereenkomsten ook wel vastleggen op welke wijze de hogeschooldocent zich verhoudt tot het werkveld waarvoor hij de studenten opleidt. Wellicht zouden de vakbonden dat moeten regelen; laat ze die knuppel maar in het hoenderhok gooien. Docenten moeten in hogescholen de regie weer nemen en periodiek in collegiaal verband rekenschap willen afleggen over hun werk.

Bestuur en Toezicht van hogescholen
Terpstra zoekt in zijn betoog de breedte: “We zitten in een systeemcrisis in plaats van in een crisis in één hogeschool. Een ander type leiderschap zal in het hoger onderwijs moeten ontstaan; ik zou dat toejuichen”. Hij gaat verder door te stellen dat meer mensen die afkomstig zijn uit het onderwijs in de Colleges van Bestuur moeten komen. De crisis bij Inholland is ook het resultaat van bestuurlijk falen. In de voormalige Raad van Toezicht van Inhollland zaten zeker wel gerenommeerde toezichthouders, maar die hadden geen verstand van het primaire proces in hun hogeschool. Er moet tenminste één onderwijsexpert in elke Raad van Toezicht van een hogeschool zitten; iemand die bijvoorbeeld weet hoe een OER in elkaar zit, iemand die weet hoe die Onderwijs- en Examenreglementen de hele hogeschoolorganisatie feitelijk sturen.

Centrale en decentrale kwaliteitszorg
Doekle Terpstra sluit af met de stelling dat hogescholen de kwaliteitszorg moeten decentraliseren. Daarentegen moeten Colleges van Bestuur wel de regie houden op die kwaliteitszorg. Zo zou elke hogeschool er bijvoorbeeld voor kunnen zorgen dat ze een onderwijsauditdienst in het leven roepen, die op uitdrukkelijk verzoek van de onderwijsteams periodiek op bezoek komen bij die onderwijsteams om de kwaliteit van hun onderwijs te onderzoeken.

In gesprek met Terpstra
Na deze presentatie van Doekle Terpstra volgt een goed gesprek in grote kring. Terpstra geeft antwoord op informatieve vragen, stelt wedervragen aan de aanwezigen in de zaal en ook inventariseren we gezamenlijk of er al ‘good practices’ zijn in onze hogescholen van de door Terpstra geschetste ideaalbeelden. Die schoolvoorbeelden zijn er wel degelijk, zo blijkt uit de praktijkvoorbeelden die door de aanwezigen op grond van eigen ervaring worden genoemd

Huishoudelijk deel van de sector hoger onderwijs
Na deze boeiende presentatie en discussie gaan we in sectoraal verband verder met de agendapunten van meer huishoudelijke aard. We behandelen het verslag van onze vorige sectorledenvergadering, het jaarverslag 2011 van de Sector Hoger Onderwijs, een wijziging in ons huishoudelijk reglement, de financiële overzichten van 2011 en 2012 en het activiteitenplan voor 2012.
Aan ons jubilerend lid Gert Doornbos wordt de jubileumspeld uitgereikt.
Aan het eind van het programma staat nog de afvaardiging van de Sector Hoger Onderwijs op de agenda, waarbij wordt geïnventariseerd welke leden van onze sector beschikbaar zijn om op 28 november 2012 en op 5 juni 2013 onze sector te vertegenwoordigen in de Algemene Ledenvergadering.

Actuele ontwikkelingen in het hoger onderwijs
Een ander belangrijk agendapunt is het item ‘Actualiteit’. We bespreken de actuele ontwikkelingen in het hoger onderwijs, waaronder ontwikkelingen op hogescholen en de Collectieve Arbeidsovereenkomst (CAO 2012). Zo spreken we bijvoorbeeld over de langstudeerdersmaatregel en de nadelige effectien die deze maatregel heeft voor deeltijdstudenten, met name ook voor de deeltijdse nascholing voor docenten in het kader van hun deskundigheidsbevordering. Met betrekking tot het thema ‘CAO’ komen onder andere de volgende onderwerpen in de plenaire discussie aan de orde: scholing, ontwikkeling, zelfontplooiing en de jaarlijkse 58 uren voor deskundigheidsbevordering van docenten. Ook bij de SOP-regeling en bij de Loonontwikkeling wordt kort stilgestaan.

zondag 26 februari 2012

Meer dan geld verdienen

Zaterdag 25 februari 2012
Cover van Doekle Terpstra's autobiografie


Droom en daad
Wat drijft Doekle Terpstra, voorheen de bevlogen voorman van het CNV, daarna voorzitter van de HBO-raad en momenteel voorzitter van het College van Bestuur van hogeschool Inholland? Wat ziet hij als zijn opdracht en hoe past Terpstra zijn dromen en zijn daden op elkaar?

Spreuken
In december 2004 kreeg ik als Sinterklaaskado het boek “Meer dan geld verdienen’, dat Terpstra in dat jaar publiceerde. Marion Rosendahl zorgde voor het omslagontwerp van deze autobiografie van Doekle Terpstra.
  • De ondertitel van dit boek is: ‘Een boek over kwetsbaarheid en kracht’.
  • Als motto staat vóórin het boek: ‘Wees realistisch, streef naar het onmogelijke’.
  • Op zijn bureau staat zijn lijfspreuk: “Waar het visioen verdwijnt, verwildert het volk” (uit Spreuken in de Bijbel, tevens een boektitel (1987) van Dorothee Sölle en ook de boektitel van Terpstra’s andere boek (2006).
  • De opdracht aan zijn dochters luidt: ‘Werk aan een werkelijkheid waarin recht wordt gedaan. Beschouw onverschilligheid als een vloek’.

Biografie
Doekle Terpstra schreef en presenteerde zijn boek in de fase (2004) in zijn loopbaan dat hij aankondigde zijn tijd als CNV-voorzitter te hebben gehad. Hij beschrijft wat hem drijft als (CNV-)vakbondsvoorzitter en als mens. Doekle is in 1956 geboren, is afkomstig uit een gereformeerd boerengezin uit het Friese Witmarsum en hij studeerde in Kampen aan de Christelijke Sociale Academie, met als studierichting ‘Personeel en Arbeid’. In 1980 begint hij zijn loopbaan bij de Industriebond CNV, waar hij onder andere actieleider, onderhandelaar en bestuurder was. In 1999 werd hij bestuursvoorzitter van het Christelijk Nationaal Vakverbond (CNV). Ik heb Doekle Terpstra leren kennen als lid van de Landelijke Ledenraad van de Vereniging VU-Windesheim, in de periode dat hij lid was van de Raad van Toezicht van deze Vereniging en van de instellingen die van onze Vereniging uit gaan, zoals de Vrije Universiteit, het VU-medisch centrum en de Christelijke Hogeschool Windesheim.

Inspiratie
In zijn autobiografisch boek maakt Terpstra zich los van de zogenoemde ‘oneliners’. Hij schrijft over wat hij wezenlijk vindt in het leven, over wat hem inspireert en hoe hij in de praktijk van alledag vorm en inhoud geeft aan zaken als: rechtvaardigheid, solidariteit en vertrouwen. Aan de hand van voorbeelden uit zijn jeugd in Fryslân en op grond van zijn beroepsrollen als actieleider, onderhandelaar en bestuurder laat Terpstra zien hoe spiritualiteit zich in zijn denken en in zijn handelen manifesteert. De thema's ‘arbeid’ en ‘dialoog’ vormen daarin de rode draad.
Terpstra: “Het gaat om zingeving, je verantwoordelijk en verbonden voelen; zonder binding met iets of iemand, anders raakt je bestaan zijn betekenis kwijt.”

Denkrichting
Op de valreep van zijn functie bij het CNV komt ook de koers van onze christelijke vakbeweging aan bod en beschouwt Doekle Terpstra tendensen als ‘individualisering’ en ‘globalisering’. Als lezer van dit boek word je door Terpstra geconfronteerd met termen als:  zingeving, identiteit, spiritualiteit, visioenen en verantwoordelijkheid. Hij wil - geïnspireerd door het christendom - het in dit boek vooral hebben over wat richting geeft aan zijn denken.

Terpstra schrijft in zijn boek in de volgende hoofdstukken:

De Basis
We werden opgevoed met het gevoel ergens bij te horen, ergens onderdeel van te zijn. Mijn ouders, de kerk, het dorp gaven mij als bagage een aantal wezenlijke waarden mee. Wie wil nog lid zijn van een organisatie waar je ook wat voor moet doen?

Zingeving
Werk heeft te maken met bevestiging van wie je bent.
Je werk bepaalt je betrokkenheid tot de ander, geeft zin aan je bestaan.
Je moet je eigen leven leiden, je eigen kwaliteiten ontdekken en ontwikkelen.
Arbeid is participatie, een activiteit, een beweging, de manier waarop je mee bouwt aan de schepping, de gelegenheid om tot je bestemming te komen.
Mensen willen zo vroeg mogelijk in hun leven bevrijd worden van de last van dagelijkse arbeid.
Mensen willen tot hun recht komen en waardering krijgen voor wie zij zijn en wat zij doen.
Alles wat met inzet en betrokkenheid gebeurt, heeft waarde op zich.
Het gaat om je verantwoordelijk en verbonden voelen, om je betrokkenheid bij de samenleving.

Ontwikkeling
Zodra je ontdekt wat je kunt, leer je wie je bent en durf je je open te stellen voor vragen, voor kritiek.
Reflectie is een manier om je in balans te houden.
Als je leren combineert met vormen, dan verwerf je kennis die blijft hangen.
Ik vind dat studenten meer betrokken zouden moeten zijn bij hun studie, meer eisen zouden moeten stellen aan de kwaliteit van het onderwijs.
Als je regels loslaat, dan moet je handhaven vervangen door vertrouwen.
Scholing, anticiperen op de toekomst, maakt de werknemer wendbaar en weerbaar bij verandering.
Een werkgever moet mensen aan zich binden en dat lukt het beste door hen los te laten.
Laat mensen hun hoofd maar boven het maaiveld uitsteken, geef ze de mogelijkheid om risico’s te lopen en daag ze uit om fouten te maken.
Uitdagingen brengen mensen verder.
Het gaat niet zozeer om de uitdaging, maar om het verleggen van grenzen.
Wàt je doet, hoeft niet groots en indrukwekkend te zijn.
Je verricht een kleine daad en daarmee verander je de loop van de geschiedenis.
De zin van je bestaan is vaak dichterbij dan jij zelf denkt.

Dialoog
Hou alsjeblieft eens een keer op met het spelen van een slachtoffer, want daar is geen enkele reden toe.
Kiezen voor het gesprek betekent dat je bereid bent naar de argumenten van de ander te luisteren en die te betrekken in jouw eigen oordeelsvorming.
De grenzen van het redelijke worden eens bereikt.
Als je ergens voor staat, dan moet je ook bereid zijn om strijd te leveren.
Macht tegen macht, gaat altijd ten koste van iets of iemand.
Het beschadigt mensen en relaties en levert per saldo weinig op.
Strijd kan nooit een doel zijn.
Mensen zoeken juist naar harmonie.

Matigheid
Wij zijn rentmeesters van de schepping, en daarbij gaat het niet om meer, meer, meer, maar om beheren en bewaren.
Als ouders kun je niet veel meer dan je waarden laten zien in de prioriteiten die je stelt, in je doen en laten en in je koopgedrag.
Het moet naar mijn idee vooral gaan om vernieuwing van arbeidsverhoudingen, om vernieuwing van betrokkenheid.
Alleen door innoveren kunnen Nederlandse bedrijven straks nog overleven.
De oplossing ligt in slimmere manieren van werken.
Dan praat je over plattere organisaties en medewerkers de ruimte geven om zelf met creatieve ideeën te komen.
Bijbelse verhalen beschrijven de realiteit niet, maar laten ons de omgekeerde wereld zien.
Voor mij is de essentie van de Bijbel: mensen worden geroepen om hun verantwoordelijkheid te nemen.
Niemand hoeft aan de kant te staan.
Het is een menselijke neiging om de eigen problemen groter te zien dan de problemen van anderen.

Rechtvaardigheid
Bij moreel besef kijk je naar je eigen gedrag, naar je persoonlijke verantwoordelijkheid en naar je eigen integriteit.
De baas moet het goede voorbeeld geven.
Alleen via bescheidenheid kun je genereus zijn.
Mensen die niet in staat zijn om zelf in hun inkomen te voorzien, verdienen ondersteuning en geen straf.
De sterkste schouders moeten de zwaarste lasten dragen.
De overheidssubsidie aan de rijken past niet meer in deze tijd.
Levensbeschouwing is verankerd als een onderdeel van onze traditie.
De overheid zou moeten werken als een schild voor de zwakken.

Verantwoordelijkheid
Je bent de ander wat verschuldigd.
Juist de vraag van een ander geeft blijkbaar zin aan ons bestaan.
Zonder binding met iets of iemand anders, raakt je bestaan als mens zijn betekenis kwijt.
Soms moet je je verantwoordelijkheid juist niet nemen.
Je moet met je gezicht naar de werkelijkheid gaan staan en je verantwoordelijkheid nemen om er iets aan te doen.
Ik heb het gevoel dat we geroepen zijn om een kathedraal te bouwen.
Sociale zekerheid is een vorm van solidariteit tussen mensen.
De overheid heeft een groot probleem: het ideologische referentiekader is verdwenen.
Het concept dat politici oproepen, is een doe-het-zelf-construct.
In de nieuwe politiek krijgt solidariteit geen plaats en ontbreekt het in het verantwoordelijkheidsbegrip volledig aan wederkerigheid.
Zelfredzaamheid is een ontkenning van het wezenlijke van de mens.
Behandel mensen net zolang als arbeidsongeschikt totdat het tegendeel is bewezen.
Mensen moeten openstaan voor maatschappelijke deelname.
Werkgevers moeten af van de benadering dat ieder kneusje zo vlug mogelijk richting poort gaat.
Mensen raken (vaak) buiten hun schuld buiten het arbeidsproces.
Te weinig aandacht aan arbeidsomstandigheden kan leiden tot meer ziekte en arbeidsongeschiktheid.
Mensen moeten ‘eigenaar’ van hun probleem kunnen zijn.
Wat jij doet, de keuzes die jij maakt, hebben invloed op mij, dat kun je niet ontkennen, daar moet je verantwoordelijkheid voor nemen.

Verbondenheid
Mijn belangrijkste community is mijn gezin.
Als je mensen open tegemoet treedt en aanspreekt op hun talenten, krijg je veel terug.
Als je ook de verbondenheid met de gemeenschap herkent, kom je heel ver met elkaar.
Als je je kwetsbaar, afhankelijk durft op te stellen, kun je samen bergen verzetten.
Ik zoek mensen met wie ik mij verbonden voel.
De waarden en normen die je van huis uit meekrijgt, spelen een rol in de rest van je leven.
Niemand wil alleen zijn.
Een onderneming moet werken vanuit bepaalde waarden en dat zichtbaar maken in haar omgeving met de wereld.
In mijn wijze van zien mag je je niet zó identificeren met een onderwerp, dat je daarmee een ander in gewetensnood brengt.
Het woord ‘onbarmhartig’ mag wel eens wat vaker gebruikt worden.
Je primaire focus als vakbond ligt bij de mensen die je betalen, en je worstelt met de mogelijkheden voor mensen die je niet betalen.
Ik typeer mezelf ‘slapend lid’ van het CDA.
Maar ik vind dat ik kleur moet bekennen.
De overheid moet vooral de resultante zijn van de maatschappelijke vitaliteit en van maatschappelijke ontwikkelingen.
Ik geloof in de rol van het maatschappelijk middenveld.
Naast ‘gespreide verantwoordelijkheid’ is een tweede sleutelbegrip in de christen-democratie het ‘voorzorgprincipe’: dat je in je huidige handelen nadenkt over en rekening houdt met de toekomstige gevolgen van je handelen.
Hooghartig gedrag staat haaks op christelijke waarden.
Binnen het CDA is jammer genoeg geen echte discussie over de spanning die er is tussen ‘de leer’ en ‘het leven’.
Ik kom heel veel politiek opportunisme tegen: er wordt calculerend gedacht, er wordt gedacht in termen van macht.
Het ontbreekt de partij aan intern debat.
Was er maar wat meer ideologie, want dan ging het weer ergens over.

Zelfstandigheid
In mijn ervaring was sociale controle: oog voor elkaar hebben, op elkaar letten, voorkómen dat mensen tussen wal en schip raken.
Sociale controle is ook sociale cohesie.
Ik heb uit mijn dorp (Witmarsum) meegekregen dat mensen er voor elkaar zijn, en dat vind ik een groot goed.
Je helpt elkaar om zelfstandig te zijn.
Zo elimineer je ook onverschilligheid.
Mensen verbinden zich met de inhoud, minder met de organisatie.
Wij organiseren niet langer mensen, maar wij organiseren hun ideeën, hun beleving, hun betrokkenheid.
Het gaat in de kern nooit om regels, maar om een houding.
Regelgeving helpt altijd maar even; iedereen vergeet wat de drijfveer was.
We moeten ook zoeken naar nieuwe vormen van betrokkenheid.
We moeten diversiteit en differentiatie in onze oplossingen toelaten.

Leiderschap
Toch is het mijn overtuiging dat geen mens zonder referentiekader kan, en dat je van een leidinggevende zelfs mag eisen dat hij dit expliciet maakt.
Mensen die samen een ideologie delen, zullen elkaars keuzes eerder begrijpen dan mensen die een ander referentiekader hanteren.
Als je de leiding krijgt, wordt je de zorg voor je medewerkers toevertrouwd.
Leidinggeven is dan ook een dienstbare activiteit, niet de bezigheid van een baasje.
Maar je moet wel sturing geven en beslissingen nemen voor anderen.
Leiderschap is het nemen van verantwoordelijkheid om samen de kar te trekken.
Onzekerheid vertaalde zich in weerstand.
Ik heb geleerd dat ik door extra druk te geven eerder contraproductief werk, dan dat ik de zaak de goede kant op krijg.
Argumenten doen er niet toe, de wil maakt het verschil.
Je moet dus eerst de politieke wil organiseren, anders lopen alle wegen dood.
Je kunt niet anders dan accepteren dat het soms minder hard gaat dan je zou willen – zolang het maar de goede kant op blijft gaan.
Er is een soort permanente beoordeling – ook in de media – van wat je doet, zegt of juist niet zegt.
Je moet niet alles zeggen wat je weet, want dat kan schadelijk zijn voor je positie.
Tegelijk moet je ook wel jezelf blijven.
Je moet eigenlijk steeds proberen om integer en betrouwbaar te blijven, zonder volkomen eerlijk en open te zijn.
Een afspraak is een afspraak; een toezegging is een toezegging.
De grens wordt bereikt als de manier waarop jij het spel speelt, ten koste van de ander gaat.
Als ik vertrouwen wil uitstralen, dan moet ik mij met de inhoud verbonden weten.
Je moet scherp houden dat in het professionele proces het resultaat telt, en in de persoonlijke sfeer heel andere dingen.
Het geheim van leidinggeven: dicht bij jezelf blijven.
Krachtig leiderschap is juist ook laten zien waar je twijfels zitten, wat je kwetsbaarheid is.
Durf het aan om iemand maximaal vertrouwen te geven.
Zorg ervoor dat je mensen krijgt die zich identificeren met jouw ideeën en er helemaal voor willen gaan.
Als je leiding wilt geven, zul je het vertrouwen moeten zien te winnen.

Vertrouwen
De beelden van de Bijbel heb ik nodig om mezelf te voeden; ze geven me energie voor het werk dat ik elke dag doe.
Ik heb het gevoel dat ik geroepen ben om deel te nemen.
Geloof is van wezenlijk belang voor mensen.
Doordenken doe je nooit alleen, daar heb je anderen bij nodig.
Geloven is niet ‘verander de ander’, maar ‘verander jezelf’.
Het gaat om de kracht van de lokale gemeenschap.
Initiatieven moeten van onderaf komen, uit de lokale gemeenschappen.
Jonge mensen haken niet af op geloof, maar op de institutie.
Beleid met directieven van bovenaf is geen lang leven beschoren.
Beter is stimuleren, enthousiasmeren, ondersteuning aanbieden.
Het adagium ‘verantwoordelijkheid terug naar de burger’ geldt ook in de kerken.
De ziel van het kerkelijk bedrijf zit in de mensen zelf.
De kerken horen een manifestatie te zijn van betrokkenheid van de mensen zelf.
Als mensen het zelf niet meer vormgeven, dan moet je het niet kunstmatig doen.
Steek vooral energie in het managen van netwerkvorming en diversiteit.
Kracht schuilt niet in beheersing, maar in loslaten.
Laat duizend bloemen bloeien.
De afspraken die nodig zijn voor het dagelijks leven, regel je ongeschreven met elkaar.
De verbinding tussen mensen ligt vast in begrippen als respect en vertrouwen.
Geef mensen de mogelijkheden om zaken met elkaar te regelen.
Je moet betrokkenheid organiseren; dat kan door medewerkers meer vrijheden te geven en meer in hen te investeren.
Delen bleek een uitkomst: een versterking, geen verzwakking.
Vertrouwen groeit door met anderen te praten over het werk, over de problemen, de bedreigingen, de kansen.
Je kunt nooit vertrouwen vragen als je het zelf niet geeft; door het te geven, groeit het; het gaat om delen.
Vertrouwen moet groeien, maar het kan er ook ineens zijn.
Er moet vertrouwen zijn tussen mensen, wederzijdse belangstelling.
Met wantrouwen valt niet te werken.
Ik wil het gevoel van vertrouwen blijven houden, anders kan ik niet werken.
Het basisvertrouwen is wezenlijk.
Cynisme is verdriet verpakt in prikkeldraad.
Ik vind mensen interessant die kleur bekennen, die laten zien dat hun persoonlijkheid is verbonden met wat zij doen en bepleiten.
Ik ontmoet mensen die nooit verder komen dan hun zakelijke boodschap.

Spiritualiteit
Ik ben verwonderd over wat de rationaliteit overstijgt; noem dat maar het werk van de Heilige Geest.
Een christelijke identiteit heeft te maken met zoeken en tasten naar antwoorden vanuit het evangelie.
Het gaat in de Bijbel om het zichtbaar maken van verantwoordelijkheid: het leveren van een bijdrage aan een samenleving waarin recht wordt gedaan en mensen tot hun bestemming kunnen komen.
Wees je bewust van je daden en neem er verantwoordelijkheid voor.
De kracht van religie is dat het een integraal deel is van jezelf en dat je praktijk en leer met elkaar probeert te verbinden.
Mensen van nu laten zich aanspreken door rituelen, door klank, kleur en geur.
Juist ook door rituelen komt het geloof steeds dichter bij mijzelf te staan.
Als dagelijkse inspiratiebron spelen mijn vrouw en dochters de hoofdrol.
Om intuïtie te voeden, moet je ook veel contact met mensen hebben; veel praten met anderen, maar vooral luisteren, proberen te horen wat er achter hun woorden schuilgaat.
Het gaat meestal om onderliggende gevoelens, als je daar geen aandacht aan besteedt, blijft de onrust.
Het gevoel van mensen geeft je altijd de richting aan.
Een visioen zou ik willen benoemen als dat vage en ongrijpbare moment waarin we kort iets ondergaan, dat niet te beschrijven is.
Een visioen roept beweging op.
De waarheid hoef je slechts één keer te horen om hem nooit te vergeten.
Als je iets goed doet, mag je trots zijn op wat je doet.
Dat geeft je vertrouwen, en met zelfvertrouwen durf je kwetsbaarheid te laten zien.
Vrienden en collega’s houden je op het juiste spoor door hun observaties en hun feedback.

Vakbeweging in de 21e eeuw
Ik hoor mensen nooit naar zekerheden vragen, wel naar betrouwbaarheid.
Solidariteit is verschoven naar het meer individuele niveau.
Er is wel een bepaalde mate van zekerheid nodig om tot je bestemming te kunnen komen.
De zekerheden die we zoeken, veranderen met de tijd.
Baanzekerheid proberen we nu te vervangen door werkzekerheid.
We moeten er vooral voor zorgen dat we een samenleving bouwen die ook voor de toekomst houdbaar en sociaal is.
De enige weg daartoe is om draagvlak in de samenleving te genereren, mobilisatiekracht aan te spreken en samen de nodige ontwikkelingen door te maken.
Soms vind ik wel dat we te veel geprofessionaliseerd hebben; de verschuiving naar professionele uitvoering zien we overal.
Hoe solidariseren we individualisering?
Identiteit verplicht.
Je staat bij wat je doet niet onverschillig tegenover die andere mens.
Wij zijn een professionele organisatie, die steeds professioneler wordt; en dat is niet op voorhand de goede weg.
We moeten de beweging teruggeven aan de leden.
Mensen informeren en betrekken bij de besluitvorming is een bestaansvoorwaarde.
Wij moeten de kennis bruikbaar maken voor de doelen die we willen bereiken.
Kennis die je wordt aangereikt, verbindt je eigenlijk met de harten van mensen.
Een tegenbeweging is een organisatie die zich niet laat leiden door de waan van de dag.
De werkende mens moet op waardige wijze afscheid kunnen nemen van zijn werkzame leven; dat moet op respectvolle wijze worden geregeld.
Er is een permanente spanning tussen de realiteit van het moment en je opvatting over het te bereiken doel; dat vraagt om balanceren.
Je moet rekening durven houden met de omstandigheden waarin mensen hun werk hebben gedaan.
Bij de vraag hoe wij de participatie van ouderen willen verhogen, hoort een gedifferentieerde aanpak.
Je moet ervoor waken dat je alleen maar staat voor het belang van je eigen groep, omdat jouw belang op lange termijn gebaat is bij aandacht voor de belangen van anderen.
Als je gezag hebt, krijg je invloed – geen macht.

De wereld is een dorp
Europa is het land van de toekomst.
Als je alleen maar oog hebt voor de kracht van de sterkste, gaat het fout.
Wij moeten de collega’s werkelijk willen ontmoeten, ons werkelijk bezighouden met wat hem of haar bezighoudt.
Wij zijn er ook voor anderen, net als die anderen er ook voor ons zijn.
Er zijn andere werkelijkheden en daar moet ik rekening mee houden – hoe ongemakkelijk dat soms ook is.
De kern van vakbondswerk: mensen gaan schouder aan schouder staan, verbinden zich met elkaar op zoek naar een betere wereld.

Tenslotte
Ook sterke mensen zijn kwetsbaar en kunnen tussen de wal en het schip vallen.
De verantwoordelijkheid die je hebt voor je eigen ontplooiing, geldt ook anderen.
Als een regering slechte directieven geeft en geen dialoog aangaat, dan werkt dat onthechtend; dat maakt onnodig veel vertrouwen stuk.
Opgelegd moralisme, waarin samenhang en dialoog ontbreken, demotiveren alleen maar en dagen mensen niet uit tot het leveren van een bijdrage aan oplossingen.
Mensen kunnen niet zonder elkaar, dat is existentieel.

It is

Is het omdat wij beiden Friezen zijn?
Is het omdat wij van oorsprong gereformeerde ‘mannenbroeders’ zijn?
Is het omdat wij ons willen laten inspireren door Gods Woord?
Is het omdat wij hetzelfde hebben gezien en voortdurend waarnemen?
Is het omdat wij (van) christelijk onderwijs genoten?
Is het omdat wij hetzelfde lazen, lezen, hoorden en horen?
Is het omdat wij participeren in dezelfde organisaties en verbanden?

Is het daarom dat wij zonder spreken hetzelfde denken?
Is het daarom dat wij dezelfde taal spreken?
Is het daarom dat dit onze ‘drive’ is?
Is het daarom dat wij het (h)erkennen?

It is sa, tinkt my.

donderdag 27 januari 2011

Controle en vertrouwen in het nieuwe accreditatiestelsel

Donderdag 27 januari 2011

Het nieuwe accreditatiestelsel dat met ingang van 1 januari 2011 in werking trad, is mede gebouwd op het principe van “vertrouwen”. Beoogd is om op te schuiven van de kwaliteitscontrole naar het vertrouwen dat hogescholen en universiteiten Anno 2011 hun kwaliteitszorgstelsel op orde hebben en dat ze – zoals dat heet – “in control zijn”. Omdat dit vraagstuk van de verschuiving van controle naar vertrouwen de komende jaren centraal zal staan, organiseert het Platform HBO van het Nederlands Netwerk voor Kwaliteitsmanagement (NNK) vanmiddag in de Hogeschool Utrecht een netwerkbijeenkomst, in samenwerking met Hobéon Certificering en met de NQA, beide al jaren Visiterende en Beoordelende Instanties (VBI) in het hoger onderwijs.

NNK-voorzitter Paul Nieuwenhuis heet de ruim 20 deelnemers welkom en verzoekt de aanwezigen om alvorens de twee presentaties zullen worden verzorgd in tweetallen te formuleren wat de gewenste opbrengsten van deze middagbijeenkomst zouden moeten zijn. Die worden daarna geïnventariseerd, waarna de beide sprekers deze aandachtspunten mee kunnen nemen in hun presentatie over het onderwerp van vanmiddag.

De eerste presentatie wordt verzorgd door de heer Paul Thijssen, directeur van de Netherlands Quality Agency (NQA). Zijn thema is: “Vertrouwen versus controle”. Hij wijst erop dat het nieuwe accreditatiestelsel weliswaar op vertrouwen is gebouwd, maar dat de bodem uit dit stelsel vandaan zal vallen zodra blijkt dat er in de praktijk geen vertrouwen wordt gegeven en/of gekregen. VBI’s zijn geen fraudebestrijders, maar willen graag een opleiding beoordelen op grond van de informatie die de VBI’s door de hoger onderwijsinstellingen in vertrouwen aan hun visitatiepanels zijn voorgelegd.

Vertrouwen op een VBI is gebaseerd op bijvoorbeeld de onafhankelijkheid van het visitatiepanel, op de transparantie van het beoordelingsproces en op de insteek dat de kwaliteit van een opleiding ook terdege wordt gecontroleerd op de inhoud en de behaalde resultaten van een te beoordelen opleiding. Zorgpunt is of de verbeterfunctie van het nieuwe stelsel voldoende uit de verf kan komen, nu vlak voor de inwerkingtreding van het nieuwe stelsel bleek dat een onvoldoende op één van de drie standaarden ook direct betekent dat de opleiding moet sluiten. Dan sluipt de angst voor een onvoldoende toch direct al weer in het stelsel en is een goed analytisch beoordelingsgesprek over met name verbeteracties op dit punt al bij voorbaat uitgesloten.

Veel passeert vanmiddag de revue:
- Bewaak de negatieve kanten van peer reviews.
- Hoe streng of hoe soepel moeten beoordelaars zijn?
- Geef de verbeterfunctie ruimte.
- Panel, durf te beoordelen!
- Opleiding, wees zelfkritisch!
- Haal instituutspolitiek zoals bijvoorbeeld minimaal te behalen goede en excellente beoordelingen uit de opleidingsbeoordeling.
- Hoe onafhankelijk is de Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie (NVAO); nemen ze wel voldoende gepaste afstand van de politieke wind?
- Verander de spelregels van dit stelsel niet tijdens de geldigheidsduur van dit accreditatiestelsel.
- Zorg er met zijn allen voor dat het vertrouwen in dit stelsel komt en blijft.
- Hoe bewijzen we openheid?
- Het valt op dat de HBO-raad en de VSNU als koepelorganisaties opvallend stil zijn in de discussie omtrent de omgang met dit nieuwe stelsel.

Tweede spreker is vanmiddag de heer Wienke Blomen, directeur van Hobéon Certificering. Zijn thema is: “Evenwicht tussen vertrouwen en controle”. Hij begint met het benoemen van de opbrengsten van de eerste accreditatiecyclus, die dit jaar wordt afgebouwd. Geconstateerd wordt dat we er kennelijk met z’n allen niet in zijn geslaagd om bij het publiek voldoende vertrouwen te verkrijgen op grond van alle positieve accreditatieresultaten. Aan de andere kant is het wel zo dat de nu in het leven geroepen Instellingstoets mag worden beschouwd als een teken van verdiend vertrouwen in de kwaliteit van het hoger onderwijs in het algemeen.

De meeste hogescholen en universiteiten hebben inmiddels een goed werkend kwaliteitszorgstelsel. Aandachtspunt is echter nog wel dat hier en daar de kwaliteitscyclus van de Deming Cycle (Plan>Do>Check>Act) nog wel eens stopt tussen “Do” en “Check” en anders nog wel eens tussen “Check” en “Act”. Zolang over dergelijke onvolkomen situaties nog praktijkvoorbeelden in de publiciteit komen, ligt het eigenlijk ook wel voor de hand dat – zelfs daar waar alle stakeholders in het hoger onderwijs vinden dat we grotere stappen moeten maken van controle naar vertrouwen - de politiek voortdurende controle op de kwaliteit van het hoger onderwijs steeds weer hoog op de politieke agenda zet. Noem het maar “het jojo-effect van controle en vertrouwen”. Bijkans nooit hangt die jojo stil.

Na de pauze ontstaat een interessante discussie. Er wordt gepleit voor een strikte scheiding tussen enerzijds een controlerende organisatie en anderzijds een toezichthoudende organisatie die tot continue verbetering leidt. Welke rol zou in die functiescheiding dan bijvoorbeeld de onderwijsinspectie krijgen en welke rol zou de NVAO in dezen dan krijgen? Geadviseerd wordt om als opleiding vooral te proberen om je visitatiepanel als het ware mee te nemen in de normen die je als opleiding hanteert voor beoogde kwaliteit. Benoem daarbij je overwegingen en je keuzes en toon aan hoe en dat je aan die gestelde kwalitatieve en kwantitatieve normen voldoet of die binnen de geplande termijn gaat bereiken. Een presentatie voor het visitatiepanel op een visitatiedag is daartoe bijvoorbeeld een goede werkvorm.

We zijn vanmiddag met elkaar in staat om heel veel werkvragen met betrekking tot dit nieuwe stelsel op te roepen, en het is mooi om te merken dat die kwesties ons uitnodigen om als kwaliteitszorgmedewerkers daarover een goed leergesprek te voeren, waarin goede ideeën ter tafel komen, waarvan in de uitvoeringspraktijk van de komende maanden en jaren zal blijken of ze zullen leiden tot goede resultaten.

woensdag 17 november 2010

Afscheidssymposium voor Hans Otting

Woensdag 17 november 2010

Wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd gaat onze gewaardeerde collega dr. Hans Otting zijn en onze hogeschool na een werkverband van 24 jaar verlaten. Om Hans te bedanken voor het vele en goede werk binnen Stenden hogeschool en bij al haar rechtsvoorgangers, wordt hem vandaag een welverdiend afscheidssymposium met aansluitende receptie aangeboden. Deze bijeenkomst heeft tevens een hoog reüniegehalte, aangezien ook oud-collega's gehoor hebben gegeven aan de uitnodiging om samen met Hans terug te blikken op zijn belangrijke bijdrage aan de kwaliteit van het onderwijs van onze hogeschoolopleidingen.

Het welkomstwoord en de algemene inleiding op dit symposium wordt verzorgd door één van onze ex-collega's: drs. Joris Paulussen, momenteel werkzaam als beleidsadviseur bij de HBO-raad te Den Haag. Het afscheidssymposium van vanmiddag heeft als titel: "Passie voor Probleem Gestuurd Onderwijs" (PGO).

Keynote speaker vanmiddag is professor dr. Wim Gijselaers, hoogleraar bij de "Department of Educational Development & Educational Research" van de "Faculty of Economics and Business Administration" van de "Maastricht University". Zijn lezing is getiteld: "Na het luwen van de storm: Nieuwe kansen voor PGO". Gijselaers geeft toe dat onderzoeksresultaten over pgo je nooit zullen overtuigen van het feit dat pgo de beste manier van leren is, maar wel is door onderzoek aangetoond dat de met pgo opgeleide studenten significant hoger scoren op bijvoorbeeld cognitieve, sociale en beroepsgerichte aspecten van beroepsmatig handelen. In zijn lezing komt hij tot een verdieping van de volgende 5 lessen met betrekking tot pgo:
1. Leadership;
2. Reform requires true understanding ("You have to live the innovation");
3. Change is constrained in many ways;
4. Faculty Development;
5. Culture drives innovation.
Gijselaers noemt nog eens wat velen van ons wel weten: "Hans Otting heeft ons geleerd te reflecteren op hoe wij onderwijs geven; zijn dataverzameling is daartoe van onschatbare waarde".

Tweede spreker is onze Stenden-collega drs. Wichard Zwaal, onderzoeker en docent bij de opleiding Hoger Hotelonderwijs van Stenden hogeschool. Wichard spreekt over: "The Power of PBL" (Problem Based Learning) en gaat daarbij onder andere in op de volgende drie aspecten: Conceptions of Education, Conceptions of PBL en Practice of PBL. Wichards lezing eindigt bij zijn pleidooi voor "Invest in Research & Innovation", waarbij je met name kunt denken aan de volgende vier elementen:
1. PBL Lab;
2. PBL Research Plan;
3. PBL Research & Development Budget;
4. PBL Lector.

Na de pauze presenteert onze Stenden-collega Frank Huser (werkzaam bij het Educational Support Office) zijn "pleidooi voor chaos", getiteld: "Nietzsche in New York". Chaos heeft veelal een negatieve klank in onze cultuur, maar chaos zorgt ook voor het verlangen naar verwondering, aldus Frank. Frank Huser: "Als je het overzicht kwijt bent, weet je wat zoeken is". In zijn reactie op het symposium (aan het eind van de middag) sluit Hans Otting hier mooi bij aan door te stellen dat chaos je leert om de essentiële vragen te stellen. Het stellen van de juiste vragen is iets wat we onze studenten ook graag willen leren, want daar ligt vaak het begin van de oplossing van de probleemstellingen in je eigen werk.

Laatste gastspreker is Robert Visser, één van de eerste lichting afgestudeerden van de Hogere Hotelschool van onze voormalige Christelijke Hogeschool Noord-Nederland (CHN). Robert is inmiddels Operations Director van Center Parcs en tevens lid van de Raad van Advies van onze Stenden-opleiding Hoger Hotelonderwijs. Hij memoreert hoe innovatief de invoering van probleemgestuurd onderwijs indertijd was hier in het noorden des lands en ook ten opzichte van de andere twee Nederlandse hotelscholen. In zijn presentatie vertelt alumnus Robert Visser ons over zijn persoonlijke ontwikkeling mèt pgo en dóór pgo, ook in zijn huidige werkkring. En één van de mooie dingen die hij ons vandaag teruggeeft, is dat de door hem aangeleerde aanpak van probleemgestuurd onderwijs nog steeds aantoonbaar in zijn management attitude zit.

Voordat dagvoorzitter Joris Paulussen het afscheidssymposium afsluit en voordat de afscheidsreceptie aanvangt, krijgt Hans Otting de gelegenheid om zijn afscheidswoorden tot ons te richten. Hans blikt daarbij terug op de sprekers en op hun speeches van vanmiddag; reflecteert daar ook kort op. Hij onderstreept nog eens het pleidooi van Wichard Zwaal om in Stenden hogeschool te komen tot een PBL Lab, omdat we vooral in die onderzoekssetting als docent-onderzoekers goed leren kijken en waarnemen hoe pgo optimaal kan functioneren in ons onderwijs. Hans Otting onderstreept tevens dat het belangrijk is om - ook met behulp van pgo - door te gaan om zoveel mogelijk de praktijk van het werkveld binnen te halen in ons beroepsonderwijs.

En dan is het afgelopen. We krijgen tijdens de receptie de gelegenheid om persoonlijk afscheid te nemen van onze buitengewoon gewaardeerde collega dr. Hans Otting.
- Ik hoor veel waarderende woorden over wat Hans voor ons onderwijs en voor ons als hogeschoolmedewerker heeft betekent.
- Ik zie hoe graag onze (ex-)collega's en de andere gasten nog even enige woorden met Hans Otting willen wisselen.
- En ik realiseer me dat we vandaag een belangrijke fase voor onze hogeschool afsluiten, omdat we een bijzonder deskundige medewerker niet langer in onze werkkring zullen hebben.
Maar gelukkig blijven er nog veel pgo-experts achter in onze hogeschoolgemeenschap en zullen zij - allicht nog wel eens in overleg met Hans - als het ware op de schouders van Hans Otting verder mogen werken aan de doorontwikkeling van probleemgestuurd onderwijs binnen Stenden hogeschool.

Bedankt, Hans, voor je bijkans tomeloze inzet voor pgo, voor onderzoek, voor kwalitatief hoogstaand onderwijs en voor je bijdrage aan onze doorgaande onderwijsinnovatie.

dinsdag 27 april 2010

Werkbezoek bij Ministerie van OCenW in Den Haag

Maandagmiddag 26 april 2010

Het is al weer zes jaar geleden dat de Christelijke Hogeschool Nederland (CHN) de accreditatie verkreeg voor haar internationale "non-degree courses". Dit kwaliteitskeurmerk werd indertijd verleend door de NCCIC (Netherlands Certification Council for International Courses), opgericht door de NUFFIC, de "Netherlands Organisation for International Cooperation in Higher Education". De CHN was toen de eerste en nog steeds de enige hogeschool die dit kwaliteitskeurmerk verdiende.

Dit keurmerk biedt de garantie dat internationale studenten van buiten de Europese Unie een verblijfsvergunning krijgen van de "Immigratie en Naturalisatie Dienst" (IND) voor de studieduur van geaccrediteerde "international non-degree courses", waartoe ze zijn toegelaten binnen de CHN, de hogeschool die inmiddels opereert onder de nieuwe naam "Stenden hogeschool". Een klein aantal door de overheid niet-erkende onderwijsinstellingen heeft destijds dit keurmerk ook verkregen.

Het was de bedoeling dat de NCCIC de accreditatieorganisatie zou worden voor non-degree courses, zoals de NVAO dat momenteel is voor de (Associate, Bachelor en Master) degree courses. In de sector hoger onderwijs bleek daartoe echter het draagvlak toen nog niet voldoende, met als gevolg dat de NCCIC werd opgeheven en dat met het Ministerie van Binnenlandse Zaken een tijdelijk regeling werd afgesproken voor het verstrekken van verblijfsvergunningen aan internationale non-degree studenten. Toen is ook afgesproken dat bij de start van het nieuwe accreditatiestelsel 2010 opnieuw gekeken zou worden op welke wijze vanaf dat moment ook structureel voorzien zou kunnen worden in de accreditatie van non-degree courses.

Op het moment dat het nieuwe accreditatiestelsel 2010 inmiddels de Tweede Kamer is gepasseerd en binnenkort ook de Eerste Kamer volgens verwachting zal passeren, hebben een aantal organisaties het initiatief genomen om de onderhandelingen te starten, teneinde te komen tot een door de Nederlandse overheid erkend keurmerk voor internationale non-degree courses voor niet-EU-studenten. Stenden hogeschool is wederom één van die initiatiefnemers.

Vanmiddag vindt in dat kader het eerste overleg plaats bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCenW) te Den Haag. Als vertegenwoordiger van Stenden hogeschool neem ik samen met vertegenwoordigers van PIE (Platform for International Education), van de Maastricht School of Management, van PTC+ en van Wageningen University and Research Center (ICRA) deel aan het eerste overleg met drie beleidsmedewerkers van het Ministerie van OCenW, te weten: mevrouw Colijn en de heren Nooij en De Zwaan. In dit gesprek passeren verleden, heden en toekomst.

Aan het eind van het gesprek is ons duidelijk dat we voor het organiseren van het toekomstig keurmerk voor internationale non-degree courses ook in overleg moeten treden met meer partijen in deze onderwijssector, zoals onder andere: Nuffic, HBO-raad, VSNU, Paepon, Ministerie van Binnenlandse Zaken (IND), NVAO en het Ministerie van Economische Zaken. We komen tot de werkafspraak dat we op afzienbare termijn deze en enkele andere relevante partijen zullen uitnodigen om samen met ons te bespreken op welke wijze we op redelijke termijn ons doel kunnen bereiken.

De sleutel voor de oplossing ligt bij de verschillende èn bij de overeenkomende belangen die alle marktpartijen hebben om het aanbod van internationale non-degree courses voor niet EU-studenten in de Nederlandse markt groter te maken, hetgeen goed is voor bijvoorbeeld de kwantitatieve en kwalitatieve groei van het Nederlandse onderwijs, voor de Nederlandse economie en voor de strategische positie van Nederlandse onderwijsaanbieders in een groeiende internationale (ook onderwijs-)markt.

zaterdag 26 september 2009

Kwaliteit als opdracht

Zaterdag 26 september 2009

In augustus 2009 heeft de HBO-raad haar nieuwe verenigingsagenda uitgegeven, met als titel “Kwaliteit als opdracht”. Dit zogenoemde “White Paper” van deze vereniging van hogescholen is het document dat de komende vier jaar zal fungeren als richtinggevend kader voor het beleid van de Nederlandse hogescholen. HBO-raad-voorzitter Doekle Terpstra schrijft ons in zijn aanbiedingsbrief: “Gezamenlijk zullen we de uitdaging aangaan die aan hogescholen wordt gesteld en ik hoop dat “Kwaliteit als opdracht” u hierbij kan inspireren”. Dit nieuwe strategische plan van de 40 hogescholen zet hoog in op onderwijskwaliteit.

In hoofdstuk 1 “Traditie en toekomst” wordt enerzijds gewezen op de oriëntatie van ons hoger beroepsonderwijs op de beroepspraktijk en anderzijds op de rol van de hogescholen in de vertikale mobiliteit, bij de emancipatie van bevolkingsgroepen en de enorme toename van het scholingsniveau van onze beroepsbevolking. Het hoger beroepsonderwijs (HBO) van vandaag en morgen moet zorgen voor onderzoekend vermogen bij studenten, zodat zij later bij kunnen dragen aan vernieuwing in hun beroepspraktijk.

In hoofdstuk 2 “Studie en standaard” wordt de nieuwe standaard van hoger beroepsonderwijs beschreven, waarbij de internationale dimensie wordt genoemd van de vier standaarden: het verkrijgen van een gedegen theoretische basis, het verwerven van onderzoekend vermogen, het beschikken over voldoende professioneel vakmanschap en het ontwikkelen van beroepsethiek en maatschappelijke oriëntatie.

Hoofdstuk 3 “Studiekeuze en student” geeft richting aan formele toelatingseisen, studievoorlichting, intake, studiebegeleiding en verwijzing & selectie als oplossing voor het “trilemma” waar hogescholen momenteel voor zijn gesteld, bestaande uit de noodzaak om de bachelor-standaard te verhogen terwijl de kwaliteit van de instroom onder druk staat, afgezet tegen de taakstelling om het onderwijsrendement te verhogen.

Hoofdstuk 4 gaat over “Diversiteit en differentiatie”. Het zogenoemde “Leven Lang Leren”, dat opgeld doet in onze ook nog eens steeds verder diversificerende samenleving, vraagt de hogescholen om verdergaande differentiatie van het aanbod van hoger beroepsonderwijs. Hogescholen doen derhalve hun uiterste best om naast de reguliere bachelor-opleidingen ook met een passend aanbod van Associate degrees en Professional Master degrees te komen.

In hoofdstuk 5 “Onderwijs en onderzoek” verklaart de HBO-raad dat de hogescholen aan willen en aan zullen sluiten bij de recente verklaring van de Europese onderwijsministers in Leuven: “Higher education should be based at all levels on state of the art research and development thus fostering innovation and creativity in society. We recognise the potential of higher education programmes, including those based on applied science, to foster innovation. Consequently, the number of people with research competences should increase”.

Hoofdstuk 6 “Professional en professionaliteit” gaat uit van de aanname dat de kwaliteit van het onderwijs zowel afhankelijk is van de kwaliteit van de hogeschool-organisatie, als van de kwaliteit van de medewerkers. Evenals binnen alle Nederlandse hogescholen, gaan wij ook binnen Stenden hogeschool verder investeren op beide terreinen. Die handschoen pakken we natuurlijk vooral ook binnen mijn afdeling Quality Assurance van het Corporate Office van Stenden hogeschool op. In ons eerstvolgende teamoverleg hebben we derhalve deze White Paper “Kwaliteit als opdracht” geagendeerd. Met onze portefeuilles “Interne”, “Integrale” en “Externe” Kwaliteitszorg” zullen wij dan ook een wezenlijke bijdrage leveren aan het kwaliteitszorgbeleid van onze hogeschool in het bijzonder en van onze hoger onderwijssector in het algemeen. Ook onze afdeling binnen Stenden hogeschool heeft dus “Kwaliteit als opdracht”.

vrijdag 25 september 2009

Wetsontwerp Accreditatie .... What's new?

Donderdagmiddag 24 september 2009

In deze eerste bijeenkomst na de zomervakantie van ons Platform Hoger Beroepsonderwijs (HBO) van het Nederlands Netwerk voor Kwaliteitsmanagement (NNK) gaat de heer Roeland Smits van de HBO-Raad als genodigd spreker in op de laatste ontwikkelingen rond de invoering van het nieuwe accreditatiestelsel. Het onderwerp van zijn presentatie is: "What's new? Het Wetsontwerp Accreditatie, de aanloop, de inhoud en de gevolgen. Roeland Smits is bij de HBO-raad (de vereniging van hogescholen) werkzaam als beleidsadviseur, met als portefeuille: juridische zaken, accreditatiestelsel, makrodoelmatigheid en masteropleidingen. De bijeenkomst vindt plaats in de Hogeschool Utrecht op de locatie De Uithof te Utrecht.

De heer Smits legt eerst uit wat de doelen van het nu nog geldende accreditatiestelsel van 2003 zijn. De evaluatie van dit huidige stelsel leidde tot een herziening van dat stelsel. Aan de kaders van het nieuwe stelsel - dat uit gaat van een Instellingsaudit met aanvullend beperkte opleidingsaccreditaties - wordt momenteel uitwerking gegeven. Omdat de Raad van State in eerste lezing een negatief advies gaf op het wetsontwerp, heeft het wetgevingstraject vertraging opgelopen. Het streven is momenteel om de behandeling in de Tweede en Eerste Kamer te laten plaatsvinden in het laatste kwartaal van 2009. Nog niet duidelijk is en wordt ons vanmiddag wat de ingangsdatum van het nieuwe accreditatiestelsel wordt en hoe de overgangsperiode van het oude naar het nieuwe stelsel zal worden ingericht. Hogescholen gaan zolang door met de lopende trajecten en starten ook alle nieuwe accreditatietrajecten - die vaak looptijden van zo'n twee jaar hebben - op gebruikelijke wijze op met hun externe contractpartijen, de Visiterende en Beoordelende Instanties (VBI's).

Roeland Smits gaat ook in op de inzichten die vanuit de reeds afgeronde pilots naar voren kwamen en hoe deze zijn verwerkt in het voorliggende wetsontwerp. Vooralsnog blijft het nog de vraag welke hogescholen in het nieuwe stelsel zullen gaan voor de Instellingsaudit aangevuld met beperkte Opleidingsaccreditatie en welke hogescholen zullen kiezen voor alleen uitgebreide opleidingsaccreditaties. Ook blijft nog enige maanden de vraag open of wij in het nieuwe stelsel afscheid gaan nemen van de huidige VBI's, of dat wij met deze contractpartners in een andere vorm gaan samenwerken.

Na de presentatie van de heer Smits bespreken we in subgroepen wat het nieuwe accreditatiestelsel mogelijk zal gaan betekenen voor ons werk binnen de hogescholen van Nederland. Daarbij inventariseren we in groepen welke kansen we als hogescholen zien in het nieuwe stelsel. Enkele andere groepen bespreken de voorziene risico's van dat nieuwe stelsel, en hoe we ons optimaal daarop kunnen voorbereiden. Aan het eind van de middag bespreken we plenair de oogst van alle verwachte kansen en risico's en helpen we elkaar bij het vinden van oplossingen om die mogelijke risico's te verminderen en om vooral optimaal gebruik te maken van de kansen die dit nieuwe stelsel het hoger onderwijs waarschijnlijk zal bieden.

Met belangstelling zien we de Kamerbehandeling van dit wetsontwerp tegemoet.
Wordt vervolgd!