Posts tonen met het label SBO. Alle posts tonen
Posts tonen met het label SBO. Alle posts tonen

maandag 5 maart 2012

Afsluiting Leergang Onderwijskwaliteit en Accreditatie


4e sessie van de leergang Onderwijskwaliteit en Accreditatie
Maandag 5 maart 2012

Vierde sessie
In Utrecht woon ik vandaag samen met een collega van de afdeling Quality Assurance van het Corporate Office van Stenden Hogeschool de vierde, afsluitende bijeenkomst bij van de vierdaagse leergang ‘Onderwijskwaliteit en Accreditatie’, die in het eerste kwartaal van dit kalenderjaar wordt aangeboden door het Studiecentrum voor Bedrijf en Overheid. In de eerste sessie stond de Wetgeving inzake Accreditatie centraal, in de tweede sessie de Kritische Reflectie voor een visitatie en in de derde sessie de Samenwerkende Professionals in een kennisorganisatie. De afsluitende bijeenkomst van vandaag is bedoeld om te komen tot een meer integratieve benadering van de afzonderlijke thema’s van de voorgaande drie sessies.

Topics
Ter voorbereiding op deze sessie van vandaag is aan ons als cursisten door de SBO-leergang-coördinator Mathieu Moons gevraagd een vijfminuten-presentatie voor te bereiden, waarin we kort reflecteren op hetgeen we in de voorgaande drie sessies hebben gedaan. Met die presentaties beginnen we vandaag de bijeenkomst. Alle deelnemers  presenteren kort en op eigen wijze wat in de voorgaande sessie is gedaan en geleerd, waarbij ook ruimte is om de leergang te beoordelen en/of aan te geven wat je aan de leergang hebt gehad en/of welke vragen of welke kwesties vanuit je eigen werkpraktijk nog resteren. Enkele zaken die in deze 5minuten-presentaties aan de orde komen, zijn bijvoorbeeld:
  • Als kwaliteitszorg teveel een hobby is geworden van het management, laten we dan proberen om de kwaliteitszorg van het onderwijs weer op opleidingsnivo te krijgen.
  • Na zoveel jaren gewerkt te hebben met het vorige accreditatiestelsel kan het toch niet zo zijn dat het nivo en de toetsing van opleidingen in het hoger onderwijs onder de maat is, en als het zo is dat die mening wel een onderdeel is geworden van de actuele angstcultuur, dan moeten instellingen voor hoger onderwijs die angstcultuur nu zelf doorbreken.
  • Als docent vraag je je af welke werkprocessen je nu allemaal moet vastleggen en hoe je jezelf zover krijgt dat je dat ook gaat zien als iets van jezelf.
  • Het is leuk om een visitatiecommissie te overtuigen van de kwaliteit van je opleiding, maar durf daarbij vooral ook eerlijk te zijn.
  • Naarmate de docenten die afkomstig zijn uit de beroepspraktijk langer docent zijn, zie je bij hen een toename aan onderwijservaring, maar daar staat dan wel een afname van contact met het werkveld tegenover.
Spanning
Als alle vijfminuten-presentaties zijn geweest, maken we een nieuwe ronde, waarbij alle cursisten aangeven wat hen in de presentatie van één van de medecursisten is opgevallen of waar men een vraag of een opmerking bij wil plaatsen. Na een korte pauze krijgen dan de drie aanwezige docenten van de vorige drie bijeenkomsten de gelegenheid om ook kort te reageren op wat ze in het programmadeel vóór de pauze van ons hebben gehoord. Docenten Peter Kwikkers, Pieter Mostert en Paul van Deursen komen ieder tot een reactie vanuit hun eigen expertise, rondom de vier door hen geformuleerde vier items: low trust, stelsel, vastleggen en eerlijk. Genoemd wordt bijvoorbeeld dat er spanning bestaat tussen:
  • Enerzijds Interne Kwaliteitszorg (audits) en anderzijds Externe Kwaliteitszorg (inspectie en NVAO);
  • Enerzijds Verbeteren (overtuigen) en anderzijds Beoordelen (bewijzen);
  • Enerzijds Interne Kwaliteitszorg en anderzijds Verbeteren;
  • Enerzijds Externe Kwaliteitszorg en anderzijds Beoordelen.
Bovenstaande spanning leidt ertoe dat het hoger onderwijs steeds meer verkrampt. We zijn er niet over uit of die spanning op afzienbare termijn zal afnemen, of wellicht nog erger wordt. Het zou kunnen zijn dat de ‘ellende’ (want zo werd het genoemd) nog groter wordt als door de invoering van de ‘overheidsbekostiging op excellente kwaliteit van het hoger onderwijs’ de bestuurlijke druk in en op het onderwijs nog hoger wordt.

Werkprocesbeschrijving
Een ander item waarover in deze bijeenkomst wordt gesproken, is het vastleggen van bijvoorbeeld werkprocessen. Veel in het hoger onderwijs is niet vastgelegd. 
  • Nog weinig kom je bijvoorbeeld opdrachtbeschrijvingen tegen van werkopdrachten waarmee docenten in onder andere onderwijsontwikkeling aan de slag gaan.
  • Veel docenten hanteren een eigen lijst van inlevercriteria van opdrachten, terwijl je er ook voor zou kunnen kiezen om als opleiding één set inlevervoorwaarden voor opdrachten te produceren.
  • Handleidingen voor studenten zijn vaak wel beschikbaar, maar waar zijn de handleidingen voor docenten?
Dat er nog meer op schrift kan worden vastgelegd in het hoger onderwijs, is duidelijk, maar waar ligt de grens van wat al dan niet tenminste moet worden vastgelegd?

“Weg met Prince II-modellen”, wordt geponeerd. Die zijn veel te gedetailleerd voor het onderwijs. Processen moeten op hoofdlijnen wèl worden beschreven. Binnen die beschreven werkprocessen moeten docenten dan hun professionele ruimte pakken. Je moet wel proberen om protocollen op schrift te zetten; niet te gedetailleerd, maar je moet wel netjes de dingen vastleggen.

Gespreksitems

Na een korte pauze resteert nog een groot aantal zaken die onze aandacht vragen in deze leergang. Een aantal zaken die vandaag nog de revue passeren, zijn bijvoorbeeld:
  • Wàt moeten we doen en hóe moeten we het realiseren dat het eigenaarschap van diverse zaken weer terug wordt gegeven aan wie de ware eigenaar zijn van die zaak;
  • Hoe borgen we in de volle breedte de kwaliteit van onderwijsactiviteiten die studenten buiten de hogeschool verrichten, bijvoorbeeld bij een stage of bij een studentenuitwisseling met een buitenlandse hogeschool of universiteit;
  • Wanneer is sprake van ‘High Trust’ en ‘Low Trust’, en hoe ga je daar in die situatie mee om?
  • Hoe voldoe je toch aan de ‘Body of Skills and Knowledge’ van de specifieke opleiding waarin de student afstudeert, als je het gegeven onderwijs vergaand hebt gedifferentieerd, tot soms op individueel studentnivo?
Gestapelde subjectiviteit
De laatste kwestie die we bespreken, betreft de hiërarchisch opeenvolgende vereisten die in het hoger onderwijs gelden voor wat betreft de kwaliteit waaraan het hoger onderwijs moet voldoen. Zo moet  het hoger onderwijs tenminste voldoen aan het gestelde in de ‘Wet op het Hoger Onderwijs en het Wetenschappelijk Onderzoek’ (WHW). Op grond van de inhoud van die Wet en daarbij uitgaande van wat nationaal en internationaal geldt als kwalitatief goed hoger onderwijs, hanteert de Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie (NVAO) haar NVAO-beoordelingskaders bij het beoordelen van instellingen en bij het accrediteren van opleidingen in het hoger onderwijs. De in het Nederlandse hoger onderwijs nog steeds functionerende Visiterende en Beoordelende Instanties (VBI) beoordelen de kwaliteit van de gevisiteerde opleidingen op grond van hun operationaliseringskaders, die zijn afgeleid van die NVAO-beoordelingskaders. En vervolgens gaan visitatiecommissieleden op grond van hun eigen referentiekaders op hun beurt nog weer aan de slag met hun eigen uitwerking van die operationaliseringskaders van de VBI’s. Zo stapelen de diverse opvattingen over kwaliteit van hoger onderwijs zich op en hebben opleidingen van hogescholen en universiteiten zich tot die  (hier en nu zo genoemde) ‘gestapelde subjectiviteit’ te verhouden, om uiteindelijk weer voor accreditatie in aanmerking te komen.

Bestuurlijk overleg

En als dat dan in een kritische context leidt tot onenigheid tussen twee of meer van bovenstaande partijen, kun je het maar beter niet op een juridische zaak laten aankomen, want uiteindelijk zal de rechter de gang van zaken slechts marginaal toetsen. Dan kun je beter als hogeschool een stap eerder in zogenoemd Bestuurlijk Overleg treden met de NVAO, om te bespreken op welke gronden de NVAO bijvoorbeeld in redelijkheid tot een goed oordeel heeft kunnen komen. En nog veel beter is het om in het stadium daarvóór met de visitatiecommissie het gesprek aan te gaan om te bespreken welke beoordelingscriteria visitatiepanelleden hebben aangelegd om tot een kwaliteitsoordeel over de opleiding te komen. Als dat niet meer kan op de visitatiedag zelf, zal dat in de fase moeten waarin het visitatierapport door de visitatiecommissie wordt geschreven. In zo’n geval zou het wel eens aanbeveling kunnen verdienen om in die fase een onafhankelijke derde partij in de onderhandelingen te betrekken, om neutraal in beeld te krijgen waar partijen elkaar beter zouden kunnen gaan verstaan inzake het geconstateerde verschil in visie en inzicht.

dinsdag 14 februari 2012

De meerwaarde van samenwerkende professionals in een kennisorganisatie

Dinsdag 14 februari 2012
Paul van Deursen, docent van de SBO-leergang

Onderwijs-kwaliteit  en HRM
Samen met een collega van de afdeling Human Resource Management (HRM) van het Corporate Office van Stenden Hogeschool woon ik vandaag een scholingsbijeenkomst bij in Utrecht. We zijn deelnemer van de derde sessie van de leergang ‘Onderwijskwaliteit en accreditatie’, georganiseerd door het Studiecentrum voor Bedrijf en Overheid. De eerste sessie had vooral een juridisch karakter en de tweede sessie ging met name in op het schrijven van de Kritische Reflectie ten behoeve van een onderwijsvisitatie, waarmee een HBO-opleiding graag in aanmerking komt voor een keurmerk van de Nederlands overheid.

Van school naar kennisorganisatie
De derde bijeenkomst van deze vierdelige leergang handelt over de meerwaarde van samenwerkende professionals in een kennisorganisatie. De Nederlandse hogescholen werken momenteel hard aan de transitie ‘van school naar kennisorganisatie’. Onderwijs en onderzoek gaan ook in het hoger beroepsonderwijs steeds meer hand in hand. Ondertussen is vorig jaar het nieuwe accreditatiestelsel in het hoger onderwijs ingevoerd. Deze twee ontwikkelingen in het hoger onderwijs staan niet los van elkaar, vandaar dat het de voorkeur verdient om in deze leergang ook specifiek aandacht te besteden aan de vraag wat het betekent voor professionele medewerkersteams van hogescholen om enerzijds mee te gaan in die overgang van school naar kennisorganisatie, ondertussen rekening houdend met de kwaliteitscriteria waaraan een hogeschool en een HBO-opleiding nu en op termijn moet voldoen om met vlag en wimpel door de diverse kwaliteitskeuringen te komen

Resumé van sessie 1 en 2
Onze docent vandaag is Paul van Deursen, zelfstandig adviseur en projectleider in het hoger onderwijs, gespecialiseerd in professionalisering en onderwijskwaliteit. Van Deursen begint - uitgaande van zijn eigen focus - met een korte terugblik op wat wij met de beide andere docenten van deze leergang in de eerste bijeenkomst en in de tweede bijeenkomst hebben gedaan. 
  1. Hij stelt bijvoorbeeld dat het nieuwe, huidige accreditatiestelsel opleidingen in het hoger onderwijs uitnodigt om de zogenoemde ‘professionele ruimte’ in te nemen en op eigen wijze in te vullen. 
  2. Met betrekking tot onze vorige bijeenkomst wijst Paul erop dat opleidingen in het hoger onderwijs er ook voor moeten zorgen dat bij visitatiepanelleden het hart wordt geraakt als zij in het kader van een opleidingsvisitatie het rapport van de zelfevaluatie van de te onderzoeken opleiding lezen en daarna met de teamleden van de betreffende opleiding in gesprek zijn.
Twee trends
Paul van Deursen begint zijn presentatie met twee trends, waarmee opleidingsteams te maken krijgen, die acteren als professionele teams in een professionele cultuur.
  1. De eerste trend is de reeds genoemde overgang ‘van school naar kennisorganisatie’. Docenten zijn niet langer meer alleen de overdrager van kennis, maar worden ook ingezet als kenniswerkers, die ook nieuwe kennis genereren en ervoor zorg dragen dat die nieuwe kennis gaat circuleren en wordt toegepast in het onderwijs en in het werkveld waarvoor de student wordt opgeleid.
  2. De tweede trend is die ‘van kwaliteitszorg naar zorg voor kwaliteit’. We zien dat in de afgelopen jaren de systeemkant van kwaliteitszorg in het hoger onderwijs steeds beter is geworden. Dat is winst, maar daar zijn we er nog niet mee, want we moeten ook de menselijke kant van de kwaliteitszorg vooral niet uit het oog verliezen. Kwaliteit moet niet alleen op papier staan, maar het kwaliteitsdenken moet vooral ook doorgroeien in het handelen van de professional in het hoger onderwijs. Daarover gaat deze bijeenkomst van vandaag.
Co-makership
Opleidingsteams realiseren zich terdege dat ze nooit genoegen moeten en willen nemen met een onvoldoende kwaliteit van het aangeboden onderwijs. Wat eenmaal met veel enthousiasme is begonnen, maken we ook af, als het goed is. Daarvoor is het nodig dat teams van docenten en stafmedewerkers oog hebben en houden voor de rationele èn voor de emotionele aspecten die ontwerpen, ontwikkelen, aanbieden, evalueren en verbeteren van onderwijs met zich meebrengen. Een intensieve en bovenal bevlogen samenwerking van vertegenwoordigers van binnen en buiten de hogeschool is essentieel om in zogenoemd ‘co-makership’ te komen tot excellent onderwijs

PDCA
Multidisciplinaire teams van studenten, docenten, stafmedewerkers, onderzoekers en werkveldvertegenwoordigers moeten ‘kwaliteit’ als ‘de manier van werken’ invullen. Het werk en het resultaat van hun werk moet vooral ook inspirerend, adequaat en zinvol zijn. Je moet ‘zeggen wat je doet’ en ‘doen wat je zegt’ en al werkende moet je ervoor zorgen dat je de gebruikelijke PDCA-kwaliteitscyclus van Plan > Do > Check > Act rond maakt en repeterend doorloopt

Professioneel
De Reader van Paul van Deursen die we vooraf hebben bestudeerd, bevat onder andere een aantal algemene artikelen over de lerende kennisorganisatie en over professionele teams. In die reader wordt onder andere uitgelegd wat je kunt verstaan onder begrippen als: professional, professionele cultuur en professionele ruimte.  Zo heeft de moderne onderwijsprofessional tegenwoordig bijvoorbeeld een onderzoekende en flexibele houding, kan hij/zij onzekerheid verdragen en is hij/zij ook op zoek naar feedback in het kader van een evaluerende houding.
In een professionele school is de leraar bovendien de motor van het onderwijsproces en is het management de 'facilitator'. Management en docenten dragen de school gezamenlijk en het management zorgt voor een optimaal personeelsbeleid om de gezamenlijke doelen te (kunnen) realiseren. Collega’s overleggen met elkaar en ondersteunen elkaar waar nodig.

Vijf eigenschappen om als team effectief te zijn
Paul van Deursen betoogt dat professionele onderwijsteams pas effectief kunnen zijn als ze over de volgende vijf eigenschappen beschikken:
  1. Ze doen de goede dingen. Het team werkt vanuit een visie en weet voor welke doelgroep ze werken. Ze weten ook wat hun studenten willen en beschikken over de juiste benchmark-gegevens om goede beslissingen te nemen.
  2. Ze doen de dingen goed. Volgens de PDCA-cyclus wordt gewerkt. Het eigenaarschap van het werk is goed belegd en ‘afspraak is afspraak’ en elkaar daar ook op aanspreken gebeurt als dat nodig is. Over de doorgelopen processen en over de (tussen)resultaten wordt adequaat gecommuniceerd. Als lid van het team voel je je niet alleen verantwoordelijk voor je eigen aandeel, maar ook voor het totaal. Je professionele houding èn je daaruit voortvloeiende professionele gedrag dragen bij tot een professionele cultuur in en van je team.
  3. Ze hebben professioneel plezier. Op grond van intrinsieke motivatie wordt met passie en enthousiasme gewerkt en men respecteert elkaar als medewerker en gaat voor een goed resultaat.
  4. Ze doen de dingen met de juiste mensen. Volgens de principes van een zogenoemde ‘Community of Practice’ wordt gewerkt en er is voor zorg gedragen dat alle rollen, kennisgebieden en competenties in die ‘community’ aanwezig zijn.
  5. Ze hebben voldoende lerend vermogen. Men wil kwalitatief excelleren en creëert daartoe een verbetercultuur. Men gaat  op zoek naar feedback en probeert op grond van evaluatiegegevens van de gemaakte fouten te leren. Er hoeft dan geen angst te zijn voor interne audits en voor externe audits zoals visitaties en inspectiebezoeken. Een lerende (hogeschool)organisatie gaat immers voor excellent onderwijs en kan dat dan ook tijdens het leren realiseren.

woensdag 1 februari 2012

Accreditatie en de kunst van het overtuigen

Dinsdag 31 januari 2012
Cursistengroep SBO-leergang met docent Pieter Mostert














Retorica
Met een collega van het Quality Center van Stenden Hogeschool woon ik vandaag de tweede studiebijeenkomst bij van de leergang ‘Onderwijskwaliteit en Accreditatie’, die in Utrecht wordt georganiseerd door het Studiecentrum voor Bedrijf en Overheid. Het is de tweede dag van een vierdaags verdiepingsprogramma, bedoeld voor wie zich professioneel bezighoudt met onderwijskwaliteit, kwaliteitszorg en accreditatie in het hoger onderwijs. Vandaag is Pieter Mostert onze docent. Het onderwerp voor vandaag is ‘Accreditatie en de kunst van het overtuigen’. Mostert maakt bij de inhoud van zijn presentatie gebruik van het retorica-gedachtegoed van de filosofen Aristoteles en Cicero.

Overtuigen
Een aantal zaken die in het eerste deel van deze bijeenkomst aan de orde komen, zijn:
  • De clou van het borgen (in het kader van kwaliteit van hoger onderwijs) is dat niet alles alleen vast staat, maar dat er ook ruimte is; regel dus ook de geldende vrijheidsgraden.
  • Als je in je betoog werkt met een metafoor, realiseer je dan dat de keuze en de benutting van die (ene) metafoor cruciaal is.
  • Als opleiding is het jouw taak om al het mogelijke te doen om een visitatiecommissie te overtuigen, want uiteindelijk moet die visitatiecommissie na de visitatie in haar rapportage verklaren dat ze ervan is overtuigd dat de kwaliteit van de gevisiteerde opleiding aan de gestelde beoordelingscriteria voldoet.
  • Denk vooral ook goed na over de (kracht van de) eerste zin van het Voorwoord van je Kritische Reflectie (zelfevaluatierapport), want die eerste zin moet iets bij de lezer teweegbrengen, zoals met name het vangen van de welwillendheid.
Taken conform Aristoteles
Pieter Mostert benoemt vanuit de retorica volgens Aristoteles de volgende elementen als de vijf taken die adequate teksten vervullen om te overtuigen:
  1.  Inventio: de inhoud moet helder zijn;
  2.  Dispositio: De ordening van wat je hebt te zeggen, moet voor de lezer interessant zijn;
  3.  Clocutio:de wijze van uitdrukking, de stijlvorm van de verwoording moet goed zijn;
  4.  Memoria: de tekst moet te onthouden zijn;
  5.  Pronuncatio: over de voordracht/presentatie: hoe ziet het resultaat er uiteindelijk uit.
Mostert: “Maak geen keuze uit deze vijf taken, maar voldoe gelijktijdig aan al deze taken.”

Middelen conform Aristoteles
Mostert benoemt vanuit de retorica volgens Aristoteles de volgende elementen als de drie overtuigingsmiddelen waaraan adequate teksten voldoen om te overtuigen:
  1. Logos: gebruik het hoofd;
  2. Pathos: zorg er met een passende maat voor dat het hart geroerd wordt;
  3. Ethos: toon je ruggengraat, waarmee jij je als organisatie staande houdt.
 Daaraan worden nog enkele tips toegevoegd, zoals
  • Koester de kwaliteit die ook het kenmerk is van het beroep waarvoor je opleidt en dat die kwaliteit past bij je profilering als opleiding;
  • De Kritische Reflectie moet passen bij de karakteristiek van de opleiding en bij het beroep waarvoor de opleiding opleidt;
  • De staf moet de opleiding ondersteunen om haar kwaliteit te tonen.
Pieter Mostert:“Maak geen keuze uit deze drie middelen, maar benut gelijktijdig al deze middelen.”

Rapportage van je Zelfevaluatie
Enkele andere punten die vanmiddag met betrekking tot de Kritische Reflectie aan de orde komen, zijn:
  • Schrijf altijd als regisseur van het proces, van het probleem. Als regisseur identificeer je namelijk jezelf en duid je ook jouw probleemstelling, waarna je dan ook zelf de (richting van de) oplossing bepaalt.
  • Niet alleen je Kritische Reflectie dient kwalitatief aan de maat te zijn; ook de onderliggende bewijsdocumenten moeten aan die hoge kwaliteit voldoen.
  • Gebruik altijd de goede, recente voorbeelden (en) uit de breedte van de opleiding, want daarin zit de overtuigingskracht.
  • Maak onderscheid tussen het Voorwoord en de Inleiding van het rapport. Wek in het Voorwoord vooral de welwillendheid, het is je bericht aan de lezer, richt je dus ook tot die lezer, doe voor hoe je de ideale lezer bent, doe voor hoe je gelezen wilt worden, toon passie en vraag aandacht. Met de Inleiding leid je de lezer naar de inhoud van het onderliggende rapport; schrijf bijvoorbeeld ook kort over de geschiedenis van de opleiding en over de plaats van de opleiding in de instelling; laat de inleiding vooral zakelijk zijn.
  • Heb oog voor de kracht van de Samenvatting. Zet de samenvatting in met een strategisch doel. Laat zien wat de grote lijnen zijn. Toon bijvoorbeeld ook de kansen die de opleiding in de toekomst heeft. Zo kan je samenvatting mede de agenda bepalen van het panelgesprek met de visitatiecommissie.
  • Tenslotte: vermijd abstracties, maak zoveel mogelijk concreet met voorbeelden uit de werkpraktijk van alledag.
Wellevende audits
We sluiten af met een mooie stelling, namelijk dat interne en externe audits nooit onaangenaam mogen zijn. De beste audits zijn de audits die met gepaste wellevendheid zijn omkleed, die niet alleen helpend zijn voor het onderzoekspanel, maar óók voor de ondervraagde deelnemers van de audit of de visitatie.




vrijdag 13 januari 2012

Accreditatie en kwaliteitzorg

Vrijdag 13 januari 2012
Omslag boek Accreditatie en kwaliteitzorg

Kwaliteitszorg & accreditatie
In het kader van mijn deelname als cursist aan een leergang van het Studiecentrum voor Bedrijf en Overheid kreeg ik het boek ‘Accreditatie en kwaliteitzorg’ toegezonden. Dit boek is geproduceerd onder redactie van Peter Kwikkers. Mede-auteurs zijn Don Westerheijden, Noël Vercruysse, Eus Schalkwijk, Chris Peels en Hans Frederik. De ondertitel van dit boek luidt: ‘De accreditatie van hoger onderwijs in Nederland en Vlaanderen'. Het boek is uitgegeven in het jaar 2011; met name naar aanleiding van de per 1 januari 2011 in werking getreden tweede generatie van het accreditatiestelsel voor het Nederlands hoger onderwijs. Voor wie zich voor en/of in het hoger onderwijs professioneel bezighoudt met kwaliteitszorg in het algemeen en met accreditatie in het bijzonder is het zo spoedig mogelijk lezen van dit boek een aanrader. Dit boek is de derde publicatie in de serie 'Wegen voor hoger onderwijs en wetenschap'.

Verbeteren & beoordelen
Hoewel het nieuwe accreditatiemodel van 2010/2011 voor ingewijden veel bekende elementen bevat, moeten onderwijsmakers, managers en bestuurders op een andere manier tegen het operationaliseren, managen en besturen van kwaliteitszorg aankijken. Ook voor leden van Raden van Toezicht is het zaak dat zij hun toezichthoudende taken hierop instellen. Het inmiddels van toepassing zijnde accreditatiemodel is een mengvorm geworden van toetsen & beoordelen op zowel instellingsnivo als opleidingsniveau. Dit boek biedt alle belangengroepen zowel een theoretische als een praktische doorkijk in interne kwaliteitzorg (kwaliteitsverbetering) en in de externe kwaliteitzorg (kwaliteitstoetsing) voor het gegeven en het te geven onderwijs in hogescholen en universiteiten.

Context & content
Het auteursteam beoogt in dit boek antwoord te geven op vragen als:

• Hoe verliep de ontwikkeling van kwaliteitszorg en accreditatie tot nu toe;
• Wat verandert er in dit nieuwe model en en waarom vindt die verandering plaats;
• Wat zijn de toekomstperspectieven voor de werkingsduur van dit wederom doorontwikkelde model;
• Hoe zit het met de kosten en baten van dit accreditatiemodel;
• Wat zijn scenario’s voor het wenkend perspectief, gezien andere veranderingen die ook op stapel staan?

Besproken wordt bijvoorbeeld de zelfevaluatie, de taak, rol, opstelling en positie van de Evaluatiebureau’s, van de visitatiecommissies en hun secretarissen, van de Onderwijsinspectie en van de Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie. De onderliggende nieuwe wetgeving en de beoordelingscriteria van het nieuwe Accreditatiekader worden onder de loep genomen, evenals de omgang met de subjectiviteit die in elk beoordelingsproces besloten ligt. De maatstaf in dit boek voor beschrijven, analyseren en beoordelen is de mate waarin onze Nederlandse en Vlaamse modellen van kwaliteitszorg, visitatie en accreditatie meerwaarde leveren voor en toegroeien naar een robuust, werkzaam èn betaalbaar Europees model. Uiteraard ontbreekt in dit boek de internationale context niet, immers, Nederland en Vlaanderen staan naast elkaar in het licht van de internationale ontwikkelingen in het algemeen en van het (Europese) Bolognaproces in het bijzonder.

Concept en context
Hoofdstuk 1 gaat in op de conceptuele aspecten van het begrip accreditatie en op de context waarin de ontwikkeling ervan moet worden geplaatst.

Beleidstheorie en beleid
Hoofdstuk 2 omvat Vlaamse en Nederlandse beleidsontwikkelingen. Het theoretisch kader en een aantal kernbegrippen passeren de revue om een gemeenschappelijk denkkader en eenduidige terminologie te bevorderen.

Internationale ontwikkelingen
Hoofdstuk 3 meet kwaliteitszorg en accreditatie af aan internationale ontwikkelingen en houdt ons een spiegel vanuit andere landen voor.

Accreditatie: wet en recht
Hoofdstuk 4 belicht de nieuwe accreditatiewetgeving, met een beschrijvende analyse van èn reflecties op de bestuurlijk-juridische uitwerkingen en mogelijke effecten daarvan in de praktijk.

Accreditatiekader en Accreditatiebesluit
Hoofdstuk 5 gaat praktijkgericht in op de lagere regelgeving van het Accreditatiekader en van het Accreditatiebesluit.

Kwaliteitszorg en visitatie in voorbereiding
Hoofdstuk 6 behandelt de voorbereidingsfase op de visitatie; bijvoorbeeld de zelfevaluatiefase, die leidt tot een zogenoemde Kritische Reflectie. Ook de voorbereidingen op de visitatie en op de accreditatieaanvraag komen hier aan de orde.

Organisatie van evaluatie en visitatie
Tussen hoofdstuk 6 en 7 vinden we een Intermezzo, waarin een korte beschrijving wordt gegeven van de organisatie en de uitvoering van het proces van evalueren en visiteren. Van vijf evaluatieburo’s die in Nederland werkzaam zijn, worden enkele karakteristieken genoemd.

Rentmeesters van kwaliteit
Hoofdstuk 7 richt zich vooral op ontwikkelingen in de (naaste) toekomst. Wat is te verwachten; worden de doelen gehaald; waar liggen valkuilen, zijn er nog verbeteringen mogelijk?

Rationale
Dit boek helpt je om antwoorden te vinden op de vraag of we voor wat betreft kwaliteitszorg en accreditatie nu het goede model en de goede invulling te pakken hebben èn of het en hoe het vandaag of morgen wellicht nog beter kan. Daarbij kunnen we niet genoeg benadrukken dat voortdurend blijven verbeteren van alles wat we doen in het hoger onderwijs een kwestie is van collectieve verantwoordelijkheid.



donderdag 12 januari 2012

Systemen en structuren. Een stevig bouwwerk

Donderdag 12 januari 2012
Peter Kwikkers doceert over Kwaliteitszorg en Accreditatie

 














Verdiepingsprogramma
Vandaag begin ik in Utrecht met de leergang ‘Onderwijskwaliteit en accreditatie’, aangeboden door het Studiecentrum voor Bedrijf en Overheid. Het is de eerste dag van een vierdaags verdiepingsprogramma, met als ondertitel van de leergang: ‘Verbetering van kwaliteitscultuur en kritische reflectie’. De leergang is bedoeld voor wie zich professioneel bezighoudt met onderwijskwaliteit, kwaliteitszorg en accreditatie in het hoger onderwijs.

Nieuw accreditatiemodel
Aanleiding voor de aanbieding van deze leergang is het onlangs per 1 januari 2011 ingevoerde accreditatiemodel 2010/2011, dat al weer de tweede generatie is van het model dat in het jaar 2003 is geïmplementeerd. Nieuw is dat dit nieuwe model bestaat uit de combinatie van een Instellingstoets en Opleidingsaccreditatie, de laatste volgens een Uitgebreid of een Beperkt model. De docenten van deze leergang zijn Peter Kwikkers, Pieter Mostert en Paul van Deursen.

WHW
Vandaag starten we met docent-auteur Peter Kwikkers. Onder zijn redactie is vorig jaar het boek ‘Accreditatie en kwaliteitzorg’ geschreven en gepubliceerd. Dat boek is voor de eerste sessie van vandaag de reader, die we kregen toegezonden ter voorbereiding op deze bijeenkomst. Thema van het programma van vandaag is ‘Systemen en structuren. Een stevig bouwwerk’. Peter Kwikkers is jurist, landelijk in het hoger onderwijs ook als zodanig bekend, dus het ligt voor de hand dat zijn boek en zijn cursusprogramma  grotendeels juridisch zijn geörienteerd. De focus ligt vandaag op de ‘Wet op het Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek’ (de WHW) in relatie tot het recent ingevoerde nieuwe accreditatiemodel voor het Nederlandse hoger onderwijs.

Accreditatiestelsel
In de periode van voorbereiding op deze cursusdag hebben we vooral studie gemaakt van de opzet van het Nederlandse (en het Vlaamse) accreditatiesysteem, met aandacht voor bijvoorbeeld: het beleid, de achtergronden, de wettelijke kaders, internationale aspecten, procedures, besluiten, toetsing en visitaties. Vandaag gaan we nader in op de wijze waarop je aankijkt tegen de structuur, welke wetten en regels gelden voor wat betreft de actuele Accreditatiekaders en waar die regels en dat kader voor zijn bedoeld. Aan het eind van de middag bespreken we welke uiteenlopende posities wij als beroepskrachten in instellingen voor hoger onderwijs hebben en wat dat betekent voor onze dagelijkse werkpraktijk in die instelling.

Inhouden van de 1e sessie
Tijdens deze eerste sessie spreken we met betrekking tot wetgeving en organisatie onder andere over de volgende zaken:
- Houd in je werk voortdurend rekening met de volgende zaken: de wetgeving (met name de WHW), de Accreditatiekaders van de Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie (NVAO), de interne regels en het beleid van je instelling en je opdracht van het management en/of van het bestuur;
- De realiteit van ons werk is dat we opereren in een wild samenspel van normen, zoals die worden gehanteerd door alle uiteenlopende belangengroepen waarmee we samenwerken;
- Als het erop aan komt, moet je uiteindelijk alles (kunnen) toetsen aan de geldende wetgeving (met name de WHW);
- Bij problemen is het cruciaal dat je een integrale aanpak kiest, waarin inhoudelijke, juridische en bestuurlijke elementen zijn geïntegreerd;
- Goede kwaliteitsoordelen van opleidingen zijn tot stand gekomen na de nodige constateringen, analyse en beoordeling, en een grondige argumentatie;
- De wettelijke (WHW-)regels en normen zouden leidend moeten zijn bij alle besluiten die de accrediterende organisatie neemt, dus de NVAO-besluiten zou je ook altijd aan de WHW moeten kunnen spiegelen en toetsen;
- Als instellingen, evaluatieburo’s en de accreditatieorganisatie van mening verschillen over de gegeven oordelen op NVAO-standaarden, verdient het aanbeveling om ook te kijken naar de beoordelingscriteria zoals die zijn gegeven in de wet (WHW).

donderdag 31 maart 2011

Op weg naar een beoordeling op instellingsniveau

Donderdag 31 maart 2011

Tijdens de derde module van de SBO-Leergang ‘Werken met het nieuwe Accreditatiestelsel in het Hoger Onderwijs’ staat als thema centraal: ‘Op weg naar een beoordeling op instellingsniveau’. In het ochtendprogramma in Regardz Meeting Center La Vie Utrecht wordt dat thema uitgewerkt vanuit het perspectief van de evaluerende buro’s in het hoger onderwijs, voorheen ook wel de Visiterende en Beoordelende Instanties (VBI) genoemd. Dit onderdeel wordt aangeboden door Wienke Blomen, directeur van de Hobéon Groep B.V., één van de Nederlandse evaluatieburo’s in het hoger onderwijs. Vanmiddag wordt het dagthema uitgewerkt vanuit het perspectief van de hoger onderwijsinstelling. Het middagprogramma wordt verzorgd door Paul Nieuwenhuis, manager afdeling Onderwijsontwikkeling & Kwaliteitszorg van Saxion Hogescholen. De dag staat onder leiding van hoofddocent Pieter Mostert, senior trainer en adviseur, tevens expert op het gebied van accreditatie.

Tijdens zijn inleiding vertelt Wienke Blomen dat Hobéon Certificering waarnemer is geweest bij een pilot-Instellingstoets en mede-uitvoerder is geweest van alle drie HBO-opleidingspilots ter voorbereiding op de invoering van het nieuwe accreditatiestelsel in het hoger onderwijs. Eerst vertelt Blomen over enkele karakteristieken van de nieuwe Instellingstoets in het hoger onderwijs. Kernvraag daarin is of de hoger onderwijsinstelling voldoende in control is. Daarna worden achtereenvolgens de zes standaarden besproken, die bij de beoordeling van de kwaliteit van een hoger onderwijsinstelling worden gebruikt als beoordelingscriterium. Wienke Blomen wijst ons erop dat in het nieuwe stelsel meer dan voorheen bij de beoordeling van de kwaliteit van een instelling gekeken wordt naar de cultuurelementen van kwaliteit, ofwel: stimuleert de instelling haar opleidingen om hun kwaliteit te monitoren en te verbeteren.

Beoordeeld wordt of een hoger onderwijsinstelling visie-gedreven is en hoe en of ze die visie middels een actieve rol van alle betrokkenen ook daadwerkelijk waarmaken. Bij de beoordeling wordt ook onderzocht in hoeverre tijdens de hogeschool-operaties de relatie tussen de zes beoordelingsstandaarden wordt gelegd. De beoordelingspraktijk van 2011 en daarna zal nog moeten uitwijzen waar de grens ligt van het in control zijn van een hogeschool. Is een hogeschool al niet meer in control als ergens in de organisatie een onvolkomenheid wordt geconstateerd op één van de geldende standaarden, of is pas sprake van onvoldoende control als er bijvoorbeeld in één organisatieonderdeel een samenstel van verschillende tekortkoming wordt geconstateerd of als er sprake is van eenzelfde tekortkoming op meer dan één plaats in de organisatie? Duidelijk is ook dat het alleen maar periodiek meten van de kwaliteit in alle organisatie-eenheden niet voldoende is. Op grond van de verkregen meetresultaten zullen de geconstateerde uitkomsten van kwaliteitsonderzoeken ook moeten worden geaggegreerd tot bedrijfsinformatie, die voor een goede besturing van een hoger onderwijsinstelling nodig is.

Kwaliteitsonderzoeken zullen voortaan ook gepaard gaan met horizontale en vertikale trails, om in beeld te krijgen of de onderwijsinstellingen over de breedte van alle organisatie-eenheden en van hoog tot laag in de organisatie in control is. Intern kwaliteitsonderzoek binnen bijvoorbeeld hogescholen zal dan ook moeten leiden tot bestuurlijke uitspraken met verklaringen of de beoogde kwaliteitsdoelen al dan niet zijn bereikt en of de resultaten van alle inspanningen (on)voldoende zijn. Wienke Blomen wijst ons erop dat - ook al komt een hogeschool met vlag en wimpel door een Instellingstoets - het dan nog wèl mogelijk is dat bij de daarna volgende opleidingsvisitaties onvoldoendes kunnen worden gegeven, indien op visitatiedata blijkt dat aanvankelijk positief beoordeelde elementen op de dag van de opleidingsvisitatie toch onvoldoende zijn.

Bij Instellingstoetsen zal de Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie (NVAO) onderzoeken of aangetoond wordt dat het geldende kwaliteitszorgsysteem echt werkt. Niet het systeem zelf is relevant, maar de constatering of de Raad van Toezicht, het College van Bestuur en het management van de instelling aantoonbaar de regie voeren, leidend tot het bereiken van de gestelde doelen. Daarna geeft Wienke Blomen nog een aantal aandachtspunten mee die van belang zijn bij een goede voorbereiding en uitvoering van de visitatie in het kader van een Instellingstoets. Ook de rol die de evaluatieburo’s in dit kader kunnen spelen, wordt besproken. In de vorm van een groepsopdracht inventariseren we mogelijke accreditatierisico’s en bespreken op welke wijze we binnen onze instellingen aan risicobeheersing kunnen werken. Eén ding is duidelijk: permanente risico-inventarisatie blijft belangrijk en het gesprek over het al dan niet ontbreken van de kwaliteit van het gegeven onderwijs dient voortdurend hèt punt van gesprek te zijn in en tussen alle lagen van de onderwijsinstelling. De zorg voor kwaliteit is dus van belang voor iedereen en voor elke dag.

Na de lunch gaat Paul Nieuwenhuis verder met ons dagthema, gezien vanuit het perspectief van Saxion Hogescholen, één van de onderwijsinstellingen die heeft deelgenomen aan de pilot omtrent het nieuwe accreditatiestelsel. Dat doet Nieuwenhuis aan de hand van het gehanteerde Saxion Kwaliteitskader Bacheloropleidingen, bestaande uit Producten, Processen en Resultaten, uitgewerkt in Oriënteren, Specificeren, Uitvoeren, Ondersteunen en Kwalitatieve en Kwantitatieve Resultaten. Paul Nieuwenhuis geeft aan dat bestuurders in het onderwijs vooral ook oog moeten hebben voor de kwaliteit van de uitvoering van de onderwijspraktijk in de opleidingen; de zogenoemde ‘going concern’, die Saxion invult m.b.t.: Niveau, Inhoud en Oriëntatie. Profilering van en in het hoger onderwijs is interessant en aantrekkelijk, volgens Nieuwenhuis, maar ze leiden je af van ‘the going concern’. Zorg dus voor een goede balans tussen die twee, aldus Paul Nieuwenhuis.

Het tweede deel van zijn presentatie gaat over de voorbereiding op een Instellingstoets en op een opleidingsbeoordeling. Daarbij komen zaken aan de orde als: centrale vraagstelling, projectmatige aanpak, zelfreflectie en het locatiebezoek. Paul adviseert erop toe te zien dat de schrijvers van een Kritische Reflectie precies weten hoe alle processen binnen de hogeschool zijn ingericht. Hij beschrijft voorbeelden van trails en vertelt over de risico’s van gedifferentieerd beleid en over het gevaar van gefragmenteerd beleid. Interne monitoring met focus op onderwijspraktijk moet een hoge prioriteit krijgen. Rapportages van kwaliteitsmetingen binnen opleidingen moeten naar het management en met bijbehorende actieplannen naar het hogeschoolbestuur, om vooral het gesprek over kwaliteitsverbetering voortdurend te voeren. Nu visitatiepanels meer dan voorheen gaan focussen op de inhoud van de opleiding, is de tijd aangebroken om in Kritische Reflecties minder op processen te focussen en meer nadruk te leggen op de inhoud van het onderwijs, van de doelen, van het opleidingsprofiel, van het vak, van het programma, van nivo en van toetsen & beoordelen.

donderdag 12 juni 2008

Driemaal Hulde@Hilversum

Donderdag 12 juni 2008

Driemaal hulde op deze bijzondere dag in Hilversum, want:

1.
De treinreis van Leeuwarden naar Hilversum v.v. bestond uit vijf trajecten, drie heen en twee terug en alle vijf trajecten voerde de NS volgens dienstregeling - zonder vertraging - uit. Hulde dus voor de NS; op de dag dat vrachtwagenchauffeurs uit protest tegen de hoge benzineaccijns om vijf voor twaalf hier en daar in het land het verkeer op autosnelwegen langzaam laten rijden.

2.
Tijdens de vierde dag van mijn vijfdaagse verkorte SBO-opleiding "Kwaliteitsverbetering en accreditatie in het hoger onderwijs" passeert een jongeman mij in de hal van Hotel Lapershoek in Hilversum. Het is Erik Storteboom, een oud-student Retail Management van mij, die in 1993 bij ons op de Christelijke Hogeschool Noord-Nederland als RMSL-student begon in de tijd dat ik nog bij de Retail Management School Leeuwarden werkte als Docent Store Management. Erik is momenteel "Manager Dutch Desk U.S.A." bij de Rabobank in Glendale, USA. Hulde voor Erik met zo'n prachtbaan! Fijn om zo'n alumnus na meer dan 10 jaar te ontmoeten.

3.
Maar het belangrijkste komt nog:
Even na drie uur belt onze zoon Pieter me met de verheugende mededeling dat hij zojuist bericht kreeg dat hij is geslaagd voor zijn HAVO-eindexamen. En ook nog met een hele mooie cijferlijst! Hulde en vanzelfsprekend een hartelijke felicitatie voor Pieter!

Tijdens de SBO-bijeenkomst maken we individueel eerst een Kwaliteitsportret van onze eigen hoger onderwijsinstelling. Daarna oefenen we in twee subgroepen een auditsessie met betrekking tot de Kwaliteitskalender van een hogeschool en een universiteit. Vervolgens volgt een presentatie van hoofddocent Theo Douma over een stappenplan voor het accrediteren van opleidingen. En dan tenslotte bespreken we eerst in subgroepen en daarna aan de hand van een presentatie van Theo Douma de wijze waarop je met individueel vraaggeöriënteerd onderwijs de kwaliteit en het niveau van ieder leertraject kunt borgen.

donderdag 29 mei 2008

3e SBO-scholingsdag Accreditatie in Hilversum

Donderdag 29 mei 2008

We zijn halverwege de 5-daagse verkorte SBO-opleiding "Kwaliteitsverbetering en accreditatie in het hoger onderwijs"; vandaag wederom in Hotel Lapershoek te Hilversum. Drie docenten passeren de revue.
Eerst verzorgt hoofddocent Theo Douma een presentatie over de wijze waarop een hoger onderwijsinstelling kwalitatief "in control" is en/of kan komen.

Vervolgens is het aan Nel Göbel - senior auditor van de NQA - om vanuit het perspectief van haar Visiterende en Beoordelende Instelling het proces van opleidingsaccreditatie in het hoger beroepsonderwijs met ons door te nemen.

Tenslotte volgt Frank Wamelink - coördinator onderwijsvisitaties van de QANU - met zijn presentatie over datzelfde proces, toegepast in het wetenschappelijk onderwijs, door een voorzitter van een audit team eens betiteld als "measuring the size of cotton balls with a rubber band".


donderdag 15 mei 2008

2e SBO-scholingsdag Accreditatie in Hilversum

Donderdag 15 mei 2008

De tweede dag van de "Verkorte opleiding Kwaliteitsverbetering en accreditatie in het hoger onderwijs" hebben we in Hotel Lapershoek in Hilversum. In deze tweede module staan Kwaliteitsbeleid en Kwaliteitsmanagement centraal.

De eerste gastdocent is Ronald Stevens, van Stevens Consultancy bv. Ronald zet ons na een korte inleiding aan de hand van het INK-managementmodel aan het werk met de onderwijscasus "Een Frisse Wind", geïnspireerd op de Christelijke Hogeschool Windesheim. Na een opdracht in subgroepjes volgt een plenaire bespreking o.l.v. Ronald Stevens.

De tweede gastdocent is Edwin Kok, van Capgemini Nederland BV. Thema van zijn onderwijsleergesprek is "Operational Excellence Framework & Key Methodologies". We bespreken achtereenvolgens de Operational Excellence-methoden: Business Process Management, Lean Management en Six Sigma.

Met een huiswerkopdracht van hoofddocent Theo Douma keren wij daarna huiswaarts.

donderdag 24 april 2008

1e SBO-scholingsdag Accreditatie in Hilversum

Donderdag 24 april 2008

In Hilversum starten we vandaag met de 5-daagse SBO-opleiding "Kwaliteitsverbetering en accreditatie in het hoger onderwijs". Theo Douma is hoofddocent voor dit opleidingsprogramma. Deelnemers zijn afkomstig van universiteiten, hogescholen en van de Defensie Academie.
We gaan aan het werk met het begrip "kwaliteit", en vooral met de actuele beweging in de richting van het momenteel in ontwikkeling zijnde nieuwe Accreditatiestelsel voor het Hoger Onderwijs. Onze focus is daarbij wat er binnen onze hoger onderwijsinstellingen op middellange termijn gaat veranderen bij de invoering van dit nieuwe accreditatiestelsel.

Aan het eind van deze cursusdag bespreken we onder leiding van Reen Pouwels de wijze waarop haar hogeschool Inholland kwaliteit borgt op het niveau van de Instelling en van de Schools met haar afzonderlijke opleidingen.